Beelaerts Paul (1949)
Paul Beelaerts, geboren in Oostende op 19 juli 1949, studeerde aan de Koninklijke Conservatoria van Gent en Brussel waar hij eerste prijzen voor notenleer, muziekgeschiedenis en Engelse hoorn behaalde, naast hogere diploma's voor hobo en kamermuziek. Daarna volgde hij nog meestercursussen bij Heinz Holliger en Maurice Bourgue en een aanvullende studie van de barokhobo in samenwerking met Paul Dombrecht en Helmut Hucke. Hij werd eerste laureaat en behaalde de Europa Prijs van de Pro Civitate wedstrijd in 1971 en in 1973 werd hij laureaat van de Tenuto 73 wedstijd voor hobo. Als componist is hij volledig autodidact. Hij was gastcomponist op het ISCM-festival 1983 te Aarhus (DK). In 1977 behaalde hij nogmaals de Tenuto Prijs maar deze maal voor compositie, met het werk Permutaties op een thema van Martinu. In 1980 werd hem de Nausika-compositieprijs uitgereikt voor zijn Oppervlakkige Charleston. Dikwijls componeert hij in opdracht van ensembles en koren. Tegenwoordig doceert hij hobo en literatuur voor houtblazers aan het Koninklijk Conservatorium van Gent en kamermuziek aan het Lemmensinstituut te Leuven. Daarnaast is hij ook medewerker aan het Aquarius-projekt (Conservatorium van Antwerpen).
Werkbespreking
Beelaerts groeide op in een gezin waarin de traditionele canon van de muziek (dit wil zeggen van Bach tot de romantiek) beluisterd werd. Hij begon reeds heel vroeg met componeren. In de overtuiging dat de twintigste-eeuwse kunstmuziek zich verder moest ontwikkelen begon hij in de jaren '70 zo avant-gardistisch mogelijke muziek te schrijven. Boris Blacher vormde het voorbeeld voor zijn Trio (1970). De structuur van dit Trio is opgebouwd als een spiegelconstructie van metra (1/4, 2/4, 3/4, ..., 7/4, 6/4, ..., 1/4). Ook zijn Permutaties op een thema van Martinu is gebaseerd op een spiegelconstructie. Deze Permutaties op een thema van Martinu was de eerste compositie waarbij Beelaerts voor een beoogd publiek ging schrijven. De Oppervlakkige Charleston werd geschreven in de seriële schrijfstijl. Life is a flower (1980) vormde het kroonstuk van zijn extreem avant-gardistische compositiefase.
Met zijn kinderopera Lange Maebe (1981) sloeg Beelaerts een nieuwe richting in. Hij bleef niet langer vasthouden aan de partituurnotatie, maar hij maakte gebruik van een grafische notatie. In Lange Maebe werden kindertekeningen als partituur gebruikt voor een uitvoering door kinderen. Het gevolg hiervan is dat elke uitvoering of interpretatie anders kan zijn. Deze grafische notatie maakt deel uit van zijn pedagogische bedoelingen. Beelaerts wou ervoor zorgen dat de "moeilijke" twintigste-eeuwse muziek op een verstaanbare manier voor kinderen gebracht wordt. De combinatie van theater en muziek (in de opera of het muziektheater) impliceert dat het visuele aspect de verstaanbaarheid in de hand werkt. De muziek volgt de tekst op de voet, zodat de inhoud direct duidelijk gemaakt wordt; voorbeelden hiervan zijn Quebracuernos (1987) en A (1998). Om de verstaanbaarheid nog meer te bevorderen maakt hij soms gebruik van een spreekstem of van een recitant. Soms worden de teksten niet letterlijk gezongen, maar als inspiratiebron voor een instrumentale compositie gebruikt. Voorbeelden hiervan zijn Life is a Flower (geschreven bij 15 haiku's van een Iers-Brugse dichter) en 35 Mirlitonnades (geschreven bij Mirlitonnades van Samuel Beckett). In deze werken is de tekst ook vormconstituerend. Life is a Flower bijvoorbeeld bestaat uit 15 stukjes met een steeds wisselende bezetting waarbij elk instrument een zelfde aantal maal voorkomt en waarin het middendeel uit een tango bestaat.
Naast opera en muziektheater voor kinderen schrijft Beelaerts af en toe stukken voor studenten zoals Priamel (1980) en Groetjes (1989). Priamel is eigenlijk een voorstudie in de moderne hobotechnieken. Het hoofdaandeel van zijn composities bestaat naast muziektheater ook uit kamermuziek. De bezettingen zijn zeer gevarieerd, maar hij gebruikt regelmatig renaissance- of barokinstrumenten zoals bijvoorbeeld in de Zakouski-Variations voor twee clavecimbels (1996). In de orkestmuziek voelt Beelaerts zich minder thuis en daarom is deze beperkt gebleven tot enkele composities die geschreven werden naar aanleiding van een speciale compositieopdracht. Een voorbeeld hiervan is Flashbacks (1986). Beelaerts maakt af en toe gebruik van elektronische media. Zo schreef hij bijvoorbeeld in Quebracuernos een partij voor tape.Hierop werden voornamelijk achtergrond- en natuurgeluiden zoals de wind, de zee, het vallen van de herfstbladeren weergegeven. In 1996 schreef hij Papaver, dit is een soundscape voor tape.
Beelaerts' instrumentatie past helemaal binnen zijn postmoderne schrijfwijze die hij sinds het eind van de jaren '80 aannam. Zijn muzikale taal blijft over het algemeen atonaal, soms zelfs dodecafonisch (zoals in 35 Mirlitonnades) maar hij integreert steeds enkele referenties naar oude(re) muziek. Hij maakt een combinatie van verschillende stijlen en technieken uit het verleden en het heden. Zo schrijft hij bijvoorbeeld in Girasole (1989) een ouverture die herinnert aan de Lully-ouverture en de eerste maten van de Zakouski-Variations verwijzen naar de Toccata en Fuga in d, BWV 565 van J.S. Bach. Toch zal hij nooit letterlijk citaten overnemen, maar hij zal eerder een ideële link met de oude(re) muziek proberen leggen. Deze knipogen naar het verleden passen helemaal binnen de humor die Beelaerts altijd in zijn werken probeert te steken. De titels verklappen reeds een stuk van het speelse aspect in zijn muziek zoals bijvoorbeeld Maxi-cosi fan tutte (1992) en ze vormen een veelvoudige samenballing van de inhoud van de compositie.
Werklijst
- Kamermuziek: Permutaties op een thema van Martinu (1976); Life is a flower (1980); 35 Mirlitonnades (1982); Kant-tate (1982); Maxi-cosi fan tutte (1992); Zakouski-Variations (1996)
- Opera: Lange Maebe (1981); 4 Poissons d'avril (1983); Quebracuernos (1987)
- Muziektheater : De Profundis (1983); Zefiroso (1988)
- Orkestmuziek: Flashbacks (1986)
Bibliografie
- Art. Beelaerts, Paul, in Algemene Muziekencyclopedie, dl. 1, uitg. dr. J. ROBIJNS en M ZIJLSTRA, Amsterdam, 1980
- M. DELAERE, Y. KNOCKAERT en H. SABBE, Nieuwe Muziek in Vlaanderen, Brugge, 1998, p. 120
Discografie
- 35 Mirlitonnades (dwarsfluit: Janna Van Mechelen, piano: Johan Bossers), CNR 950 821
- Daarnaast zijn er vele opnames van de werken van Beelaerts in het BRT3/Klara-archief bewaard
Uitgever
Niet beschikbaar
Links
Niet beschikbaar
Coordinates
Niet beschikbaar
©2002 Herlind Gerits, voor MATRIX







