Cabus Peter (1923-2000)
Peter Cabus (Mechelen, 1923-2000) begon te componeren onder impuls van Godfried Devreese, de toenmalige directeur van het Stedelijke Conservatorium van Mechelen. Hij startte zijn hogere muziekstudies aan het Lemmensinstituut (orgel bij Flor Peeters, piano bij Marinus De Jong), maar met het oog op een carrière als concertpianist ging hij zich verder bekwamen aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel (piano bij Charles Scharrès, kamermuziek bij André Gertler, compositie en fuga bij Jean Absil en Léon Jongen). Geleidelijk aan zou hij zich minder als uitvoerend muzikant manifesteren en meer als componist en pedagoog. Na een tijdlang te hebben gewerkt als leraar aan het Stedelijk Conservatorium van Mechelen en enkele muziekacademies, volgde Cabus in 1959 Devreese op als directeur van het Stedelijk Conservatorium. Daarnaast was hij als docent verbonden aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel (harmonie, contrapunt, compositie) en aan de Muziekkapel Koningin Elisabeth. In 1972 lag Cabus mee aan de basis van de oprichting van het Festival van Vlaanderen - afdeling Mechelen. De laatste twintig jaren van zijn leven was Peter Cabus ook lid van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België.
Werkbespreking
"De tonaliteit in de muziek vervult de samenbindende rol van de zwaartekracht in het dagelijkse leven, de atonaliteit behoort eerder tot het gebied van de ruimtevaart". Deze metafoor, die Peter Cabus gebruikte toen hij in 1993 een lezing gaf over zijn tweede symfonie, typeert de visie die hij ontwikkeld had op het muziekgebeuren rondom hem en op de muziekgeschiedenis waarin hij een plaatsje verworven had. Cabus was in de eerste plaats een classicus, een man met groot respect voor de componisten die hem voorafgegaan waren. Voor hem waren Brahms en Beethoven nog steeds actueel. Dat nam niet weg dat hij tegelijk openstond voor het nieuwe. Hij volgde aandachtig de evolutie van de avant-garde doorheen de twintigste eeuw, en probeerde nu en dan nieuwe technieken in zijn eigen muziek te integreren (bijv. dodecafonie, zoals in het Klarinetkwartet uit 1962). Zelf gaf hij aan een evenwicht te willen vinden tussen het oude en het nieuwe. Toch kan men moeilijk om het gevoel heen dat het ultra-moderne, het hyper-avant-gardistische niet zijn ding was, maar dat hij het bijna als zijn morele plicht zag het een plaats te geven binnen zijn eigen muziek. Zijn wortels lagen zonder meer in de tonaliteit en de klassieke vormen.
Peter Cabus liet meer dan tweehonderd werken na. Een deel daarvan ontstond binnen de context van het muziekonderwijs: examenstukken, notenleerlessen, werken voor het symfonisch orkest van het Mechelse Conservatorium, pianosonatines ... Zij werden geschreven vanuit een pedagogische behoefte. Naast de talrijke orkestwerken (met o.m. zes symfonieën en een tiental concerti) en kamermuziekwerken (met o.m. vier strijkkwartetten), die het grootste deel van Cabus' oeuvre beslaan, vallen voorts vocale werken op naast een flink aantal werken waarin koperblazers een hoofdrol spelen. Uit de vocale werken spreekt een sterke verbondenheid met het Vlaamse culturele patrimonium: vaak gaat het om bewerkingen van volksliederen (bijv. Vier weverkens (1996)) of zettingen op tekst van Vlaamse dichters (bijv. Drie liederen op tekst van Paul Van Ostaijen (1985) of Het jonge jaar op tekst van Guido Gezelle (1986)). De bijzondere aandacht voor koperblazers laat zich verklaren door Cabus' vriendschap met trompettist Theo Mertens. Verschillende composities (bijv. Suite voor kopers (1967)) schreef Cabus speciaal voor het naar Mertens genoemde koperensemble.
In zijn Tweede Symfonie (1956/57) zocht Peter Cabus een antwoord op de problemen die zich sinds enkele decennia binnen het genre stelden. Onder invloed van Stravinsky koos hij bewust voor de "pure geest van de pre-Beethoveniaanse periode". De opbouw van de symfonie is een toonbeeld van evenwicht. Rondom een centraal scherzo staan twee langzame bewegingen die de overgang maken van en naar respectievelijk het openingsdeel en de finale. Binnenin opteert Cabus voor vrije tonale verhoudingen. Vaak combineert hij twee tonaarden die een halve toon of een kleine terts van elkaar verwijderd liggen.
Peter Cabus nam graag de Franse muziek tot voorbeeld, veel meer dan bijvoorbeeld de Duitse. De Franse invloed komt tot uiting in zijn Eerste Pianosonate (1958), waarin sommige passages heel dicht de stijl van Debussy benaderen. De klassiek opgebouwde sonate klinkt atonaal, maar nooit op een aggressieve manier: de typisch impressionistische "personantie" domineert. Heel anders is zijn Tweede Pianosonate (1974), die meer tonaal gedacht is en bestaat uit een prelude met variatiereeks.
Cabus' voorliefde voor de variatievorm blijkt ook uit zijn Vierde Strijkkwartet (1995, herwerkt in 1997/98), waarin het zesde en laatste deel (i.e. de variatiereeks) ongeveer even lang duurt als de vijf voorgaande delen samen. Cabus zag dit late werk als een gepersonaliseerde samenvatting van de muziekgeschiedenis, omdat verschillende stijlen erin aan bod komen (organum, klassiek, romantisch, polytonaliteit, dodecafonie, ...). Toch benadrukte hij dat het tonale standpunt altijd - in min of meerdere mate - aanwezig blijft.
Een aanzienlijk deel van de werken van Peter Cabus is uitgegeven bij Maurer in Brussel. Jean Maurer was een jeugdvriend van Cabus: beiden maakten ze een tijdlang deel uit van hetzelfde pianotrio. Ook CeBeDeM heeft een aantal van Cabus' werken uitgegeven. Na zijn dood werden alle autografen op vraag van de componist geschonken aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel.
Werklijst
- Orkest en concerti: Orkestvariaties (1938); zes symfonieën (1947, 1957, 1961, 1986, 1987, 1993); Sinfonietta (1951); Concerto voor trompet, trombone en orkest (1969); Ouverture in Oude Stijl voor strijkorkest (1972); Suite voor harmonieorkest (1981); Concertino voor vierhandig klavier en snaren (1984)
- Kamermuziek: Klaviertrio (1956); twee pianosonaten (1958, 1974); vier strijkkwartetten (1959, 1974, 1983, 1995/98); Houtblazerskwartet (1966); Klarinetkwintet (1976); Sonatina per contrabasso e piano (1997)
- Vocaal: De waterlelie voor mezzo en piano (1941); Twee psalmen voor bariton en piano (1963); Reinaert I (1966) en II (1974) voor bariton, koor en kopers, Minnelied voor koor (1981); Jan Hinnerk voor koor (1997)
- Kopers: Suite voor kopers (1967); Canto e ballo voor hoorn en piano (1974); Hymne en all'Inglese voor brass band (1978); Suite voor dubbel koperkwintet (1981)
Bibliografie
- P. CABUS, Vragen bij recente ontwikkelingen in het muziekonderwijs hier te lande, in Academiae Analecta, 48/1, Brussel, 1987, p. 57-65
- P. CABUS, Mijn tweede symfonie en haar plaats in het symfonisch landschap van België, in Academiae Analecta, 54/1, Brussel, 1954, p. 83-92
- B.-J. STEENS, Peter Cabus, biografie en oeuvrecatalogus (diss.), Mechelen, 1998
- Y. KNOCKAERT, Peter Cabus, in M. DELAERE, Y. KNOCKAERT en H. SABBE, Nieuwe muziek in Vlaanderen, Brugge, 1998, p. 110-111
- D. VON VOLBORTH-DANYS, art. Cabus, Peter, in S. SADIE (ed.), The New Grove Dictionary of Music and Musicians, 2de uitg., 2001
Discografie
- Vier etudes voor vierhandig klavier (Pianoduo Kolacny), MUSICA A QUATTRO MANI, Eufoda 1244
- Concertstudie nr. 1, Concertstudie nr. 2, Sonate voor fluit en piano, DWELLING OF MUSES, Conservatorium Mechelen, SBCD 1519 EMS/CNR
- Twee Geuzenliederen (Quatuor Arte Del Suono), HARMONIES NOUVELLES EN 12 MOUVEMENTS POUR L'EUROPE, Pavane ADW 7321
- Facetten voor saxofoon en strijkers, BELGIAN WORKS FOR SAXOPHON, René Gailly 87081
Uitgever
J. Maurer (Brussel)
CeBeDeM (Brussel)
Links
Niet beschikbaar
Coordinates
Niet beschikbaar
©2003 Joris Compeers, voor MATRIX








