Coryn Roland (1938)
Roland Coryn, geboren op 21 december 1938 te Kortrijk, kwam al vroeg in contact met het artistieke leven. Zijn broer tekende en schilderde, en zijn familie had contact met mensen uit de artistieke wereld. Na zijn muziekstudies aan de Stedelijke Muziekacademie van Harelbeke ging hij zich verder bekwamen aan het Koninklijk Muziekconservatorium te Gent. Hij behaalde er onder andere het Hoger Diploma Altviool en Kamermuziek. Daarnaast volgde hij er tegelijkertijd de theoretische afdeling die hij beëindigde met een Eerste Prijs Compositie.
Als pedagoog was hij werkzaam aan de muziekacademie van Harelbeke, Izegem en Oostende. In 1979 werd hij in eerstgenoemde instelling benoemd tot directeur. Aan het Koninklijk Muziekconservatorium te Gent heeft hij lange tijd een belangrijke functie gehad als docent compositie. Op 1 september 1997 nam hij vervroegd pensioen om zich volledig te kunnen wijden aan zijn compositorisch werk.
In de periode van 1960 tot 1975 was hij hoofdzakelijk actief als uitvoerend musicus. Hij speelde altviool in het Belgisch Kamerorkest, waar hij in contact kwam met moderne muziek, en was stichtend lid van het Vlaams Pianokwartet, dat zich toelegde op werken van bekende componisten en Belgische meesters. Van 1986 tot 1997 leidde hij in Gent het Nieuw Conservatoriumensemble, waarmee hij hoofdzakelijk hedendaagse muziek uitvoerde. Deze activiteit werkte uiterst bevruchtend voor zijn klas compositie.
Als componist behaalde hij diverse prijzen, waaronder de Tenutoprijs in 1973 (Quattro Movimenti), de Jef Van Hoofprijs in 1974 (Triptiek), de Koopalprijs in 1986 voor zijn kamermuziekoeuvre, en de Visser-Neerlandiaprijs in 1999 voor de totaliteit van zijn oeuvre.
In 1993 werd hij verkozen tot lid van de Academie voor Schone Kunsten, Letteren en Wetenschappen van België.
Sinds 2000 is Roland Coryn nauw betrokken bij verschillende organisaties die nieuwe muziek willen promoten en kansen willen geven aan Vlaamse en jonge componisten.
Zo is hij medeorganisator en muzikaal adviseur van de Harelbeekse Muziekbiënnales, die gewijd zijn aan Vlaamse muziek uit de recente geschiedenis. Daarnaast is hij sinds 2002 motor en voorzitter van de jury van de Internationale Compositiewedstrijd ‘Harelbeke Muziekstad’, die afwisselend voor koor en harmonieorkest uitgeschreven wordt. In die prijsvraag wordt de nadruk gelegd op het gebruik van de nieuwe compositietechnieken die de tweede helft van de 20ste eeuw kenmerken.
Werkbespreking
Coryn heeft sinds 1970 al meer dan zestig werken geschreven. Zijn voorkeur voor absolute muziek blijkt onder andere uit het overheersen van instrumentale muziek boven vocale. Ook de titels van zijn werken zijn meestal abstract. Hiervoor gebruikt hij muzikale vormen, bijvoorbeeld Sonatine voor altviool solo (1959-60), of hij verwijst naar de bezetting, bijvoorbeeld Per piano solo (1972) of Saxofoonkwartet (1982): "[...] ik ben, geloof ik, allergisch aan titels en uitleg. Misschien is het ook wel een vorm van zich afzetten tegen die heersende tendens sinds 1950 om alles te willen en soms te moeten uitleggen met woorden. Op een bepaald moment, naar 1980 toe, was ik voor mezelf klaar met dat probleem en dan ben ik meer interpretatie- en gevoelsaanduidingen op de partituur gaan noteren. Ik voelde dat het voor mijzelf kon en dat het de uitvoerder vaak erg stimuleert tot een betere uitvoering." (uit: Y. Knockaert, Roland Coryn in Campo, p. 3). Uit het citaat blijkt dat Coryn een zo perfect mogelijke uitvoering eist van de muzikanten. Het contact tussen uitvoerder en componist is voor hem dan ook van cruciaal belang. Dit is een van de redenen waarom hij zich, althans tot het einde van de jaren '80, voornamelijk bezighoudt met het componeren van kamermuziek: hij vindt dat de communicatie met de meeste orkesten en hun dirigenten dikwijls te gebrekkig verloopt.
Sinds zijn vijftigste verjaardag heeft Coryn zijn compositorische activiteit intens weten op te drijven. Deze toename blijkt niet alleen uit het aantal opusnummers; daarbij zijn het Vioolconcerto (1987), Due Pitture voor groot orkest (1989), het Concerto grosso voor groot strijkorkest (1989), het Concerto voor vibrafoon, marimba, xylofoon en orkest (1994) en Tre Pezzi per orchestra d'archi (1995) stuk voor stuk grootschalige werken. De verklaring ligt in het feit dat Coryn zijn activiteiten als altviolist teruggeschroefd heeft om zich meer aan het componeren te kunnen wijden.
De verschillende muzikale parameters worden door Coryn elk op een eigen specifieke wijze behandeld, waarbij vooral de intense aandacht voor ritme en tempo opvalt.
Ritmische ontwikkelingen ontstaan vanuit een inwendige motoriek, wat betekent dat ritmische kernen uit zichzelf nieuwe ritmische motieven genereren, die dan op hun beurt het uitgangspunt vormen voor een nieuwe verdere ontwikkeling. Dit kan leiden tot een hoge graad van complexiteit, zoals "ritmepolyfonie" of polyritmische gelaagdheid. De veelgelaagdheid van dergelijke ritmische ontwikkelingen is onder andere op te merken in de Introduzione van het orkestwerk Quattro Movimenti (1973), waarin een tweenotencel, gekoppeld aan zijn inversie, in verschillende duurwaarden in verschillende instrumentenkoppels verschijnt.
Zoals het ritme een voortdurend voortspinnende beweging maakt, zo ook fluctueert het tempo. Constante tempi komen vrijwel niet voor.
De ritme- en tempofluctuaties zijn steeds constructief en doelgericht. Het gaat niet zozeer om eenvoudige accelerando- en ritenuto-aanduidingen in de partituur, die de uitvoerder een grote ruimte voor interpretatie toelaten, maar ze zijn precies uitgeschreven, bijvoorbeeld als overgang van een binair naar ternair ritme of van kwintool naar sextool. Dit kan eventueel gecombineerd worden met maatwisselingen, telduurveranderingen (van binair naar ternair met behoud van tempo), of tempoveranderingen. In de reeds genoemde Introduzione vindt een systematische versnelling plaats van een tweenotencel, waarbij het eindpunt van de versnelling glissandi zijn. Ook in Reflexie I uit de Sonate voor orkest (1975) is de glissando de grootst mogelijke snelheid van toonhoogteopeenvolging en ritme. Daarna is de glissando het vertrekpunt voor een vertraging via trillers en uitgeschreven ritmes. De melodie is niet van primordiaal belang in Coryns muziek; lyrische melodieën komen zelden voor. Dikwijls worden zinnen opgebouwd door middel van celontwikkeling. In de uitwerking ervan is de secunde (evenals de septime en de none) een zeer belangrijk interval, dat zowel horizontaal als verticaal voorkomt. Het gebruik van dergelijke kleine intervallen kan leiden tot totaalchromatische velden of klankveldmomenten. De vele canonische passages in de stemvoering verwijzen naar de klassieke polyfone traditie.
Coryns vrije post-seriële werkwijze geeft hem de mogelijkheid tot een persoonlijke uitwerking van een basisreeks in alle mogelijke varianten. Een motief van zes noten verbindt de drie delen van het Saxofoonkwartet (1982); het ligt aan de basis van de volledige compositie. Als deze 6 noten gevolgd zouden worden door een transpositie die een hele toon lager ligt, zou een dodecafonische reeks ontstaan. Coryn beperkt zich echter tot het gebruik van het zes-noten-motief, dat zowel in zijn originele vorm als in kreeft, inversie of kreeftinversie voorkomt (al dan niet getransponeerd).
Vanaf het einde van de jaren tachtig gaat Coryns muziek robuuster, zelfverzekerder en strijdender klinken. In zijn oratorium Opus: Mens (1987), een werk voor twee vocale solisten, koor en orkest, komt hij tot een optimistische levensbevestiging. Ook zijn Vioolconcerto (1987) bestaat uit een virtuoos solistisch tweede deel, na een trager eerste deel, dat eindigt als een verstild koraal. Vele composities eindigen met een langzame beweging waaruit berusting spreekt. Gedurende de jaren negentig gaat zijn aandacht sterk naar de stem. Dit resulteert in vele werken voor koor a capella zoals: 5 Dickinson liederen, Triptiek der Deernis op teksten van Luuk Gruwez en Vier ernstige Gezangen op teksten van Marsman, Blockeel en Joyce. Deze periode krijgt dan een hoogtepunt in twee uitgebreide composities als: Deux mille regretz voor gemengd koor en renaissance-instrumenten en het avondvullende Winds of Dawn, ondertiteld als Missa "Da Pacem", voor Sopraan-, Tenor- en Baritonsolo, gemengd koor, kinderkoor en groot orkest.
Een eerder atypisch werk, zowel qua titel als qua instrumentatie, is Eléphantasia voor contrabassolo (2000). Hier geeft Coryn wel duidelijk een richting aan door te kiezen voor een vrij programmatische titel, hoewel deze eerder aangegeven is door de opdrachtgever van deze compositie. (Het kamermuziekensemble Arco Baleno gaf aan verschillende Vlaamse componisten de opdracht een stuk te schrijven rond een bepaald dier, als aanvulling op het Carnaval des Animaux van Saint-Saëns.) De bezetting voor één solo-instrument, niet toevallig contrabas, om de olifant te verklanken is vrij ongewoon in het eerder orkestraal gerichte oeuvre van de componist. Het begin van de compositie is gebaseerd op het melodisch materiaal van de Olifant van Saint-Saëns. De kwart bes – es als eerste interval, en wat verder de kwint bes – f, de meest karakteristieke intervallen van de originele compositie, worden hier op dezelfde toonhoogte en duidelijk geaccentueerd voorgesteld. Ook de aanduiding Pomposo verwijst rechtstreeks naar de aanduiding van Saint-Saëns (Allegretto pomposo). Doorheen de compositie slaagt Coryn erin optimaal gebruik te maken van het hele kleurenspectrum van de contrabas. Zijn compositie doorloopt het hele register van het instrument, en verschillende moderne speeltechnieken dragen bij tot de verrijking van het klankbeeld. Een terugkerend element is het gebruik van de glissando, vaak over afstanden van meer dan een octaaf. In de ontwikkeling van de compositie maakt de componist gebruik van veel contrasten op ritmisch, melodisch en dynamisch vlak. Op het einde komt er een laatste knipoog naar het werk van Saint-Saëns als de contrabas in een driekwartsmaat een perfecte authentieke cadens speelt, opnieuw gebruik makend van de glissando.
Werklijst
- Kamermuziek: Sonatine voor altviool solo (1959-1960); Per piano solo (1972); Triptiek (1974); Sonatine voor 2 klarinetten (1977); Improvisatie II voor altviool en piano (1979); Saxofoonkwartet (1982); Sonate voor 2 piano's (1982); Saxofoonkwartet (1984) bestaat ook in de versie voor klarinettenkwartet; Sonate voor altviool en piano (1985) bestaat eveneens voor cello en piano; 13 Miniaturen voor fluit en strijkkwartet (1998); Eléphantasia voor contrabassolo (2000); “Zes Liederen” voor hoge stem en klarinettenkwartet (2004)
- Orkest: Quattro Movimenti (1973); Sonate voor orkest (1975); Vioolconcerto (1988); Concerto grosso (1989); Due Pitture (1989); Tre Pezzi per orchestra d'archi (1995); Out of Darkness. A sketch for orchestra (2003)
- Koor: Landschappen en stillevens (1985); Drie volksliederen (1991); Pain (1993); A letter to the world (5 Dickinsonliederen)(1993); Triptiek der Deernis (1997); Sotto voce voor gemengd koor (2000); Maria Vasalistriptiek voor koor a cappella (Hommage aan Herman Roelstraete) (2003)
- Oratorium: Opus: Mens (1987)
- Mis: Winds of Dawn - Missa da Pacem (2000)
- Harmonieorkest: Concerto per Banda (1997); 5 Concertpreluden voor Hobosolo en Harmonieorkest (1991); Due Pitture voor Harmonieorkest (1992)
Bibliografie
- W. COUVREUR, Coryns postmodernisme, in Muziek & Woord, april 1989, p. 6
- F. DECRUYNAERE, De moed om een blij mens te zijn, in Muziek & Woord, november 2000, p. 12
- M. DELAERE, Y. KNOCKAERT en H. SABBE, Nieuwe Muziek in Vlaanderen, Brugge, 1998
- In de voetsporen van keizer Karel, in Muziek & Woord, juni 2000, p. 8
- Y. KNOCKAERT, Roland Coryn: een mens in klank verborgen, in Tijdschrift van de Nieuwe Muziekgroep, december 1987, p. 2-37
- Y. KNOCKAERT, Roland Coryn in Campo, in Muziek & Woord, mei 1996, p. 3-4
- E. VERCAMMEN, De tweede generatie modernisten: Vic Nees, Elias Gistelinck, Roland Coryn en Raoul De Smet, geschreven voor Seminarie Nieuwe Muziek in Vlaanderen, KULeuven, 1998-1999
Discografie
- Quattro Movimenti voor groot orkest (De Philharmonie van Antwerpen o.l.v. Frederic Devreese), CULTURA MUZIEK IN VLAANDEREN, 5073-N2
- Sonate voor 2 piano's (Levente Kende en Heidi Hendrickx), Terpsichore 1984 NV Phonic S.A. Belgium
- Thoughts on a Theme voor contrabassolo (Frank Coppieters), René Gailly International Productions 86 006
- Concerto voor viool en orkest (Henry Raudales en het Nieuw Vlaams Symfonieorkest o.l.v. Patrick Peire), René Gailly International Productions 87 063
- Vier ernstige Gezangen voor gemengd koor a cappella (Vlaams Radiokoor o.l.v. Vic Nees), IN FLANDERS FIELDS VOL. 6, Phaedra 92006
- Due pitture (versie voor orkest) (Nieuw Vlaams Symfonieorkest o.l.v. Dirk Brossé), René Gailly International Productions 87 080
- Due Pitture (versie voor harmonieorkest) (Koninklijk Harmonieorkest Vooruit o.l.v. Geert Verschaeve) ES 47054
- ‘Eléphantasia’ voor contrabassolo (Gabriëla Fragner. Arco Baleno), ET’CETERA KTC1266
Uitgever
CeBeDeM (Brussel)
Andel (Oostende)
Links
http://composers21.com/compdocs/corynr.htm
Coordinates
Gulden Sporenstraat 45, 8530 Harelbeke
tel + fax (056) 71 41 35
roland [dot] coryn [at] telenet [dot] be
©2001 Els Vercammen en Kris Gabriels, voor MATRIX
©2005 Klaas Coulembier, voor MATRIX (update)








