D'haene Frederic (1961)
Frederic D'haene, geboren te Kortrijk in 1961, begon zijn muzikale opleiding aan de muziekacademies van Gent en Kortrijk. Met het oog op een professionele muziekcarrière, studeerde hij daarna aan het Koninklijk Muziekconservatorium van Luik, waar hij deel uitmaakte van de klassen van Frederic Rzewski en Walter Zimmermann, maar ook les kreeg van Henri Pousseur en Vinko Globokar. Om het theoretische aspect van zijn muziekstudie verder uit te diepen, besloot D'haene ook de universitaire opleiding musicologie te volgen, die hij begon aan de Katholieke Universiteit Leuven, en beëindigde aan de Rijksuniversiteit Gent. Daarnaast woonde hij in 1988 de Internationale Ferienkurse für Neue Musik te Darmstadt bij. Tussen 1990 en 1995 was Frederic D'haene assistent-lesgever in de compositieklas van Rzewski in het Luikse Conservatorium. Lesgever was hij ook aan de muziekacademie van Jette (Brussel), waar hij de cursussen AMC en muziekgeschiedenis voor zijn rekening nam. Daarenboven was D'haene occasioneel werkzaam als concertorganisator (o.m. in opdracht van Amnesty International).
Een baken is het jaar 1996, dat door Frederic D'haene als sabbatjaar werd ingelast. In 1999 en 2000 doceert hij muziekesthetica aan de Hogeschool voor Wetenschap en Kunst in Gent.
In 2000 verhuist D'haene naar Nederland, waar hij zijn volle aandacht kan richten op het componeren, waar de tijdsdruk veel minder op zijn schouders weegt en waar hij omringd wordt door een vrij goed uitgebouwd overheidsstelsel dat de nieuwe muziek in alle opzichten tracht te steunen.
Frederic D'haene componeert meestal in opdracht, bijvoorbeeld vanwege de Singel (Antwerpen), de Beursschouwburg (Brussel), Antwerpen '93 (culturele hoofdstad van Europa), Ars Musica - festival '93, Stichting Logos, Champ d'Action, het Nouvel Ensemble Moderne de Montréal, e.a. Verscheidene van deze werken werden reeds uitgevoerd door gerenommeerde solisten (zoals Geoffrey Madge, Frederic Rzewski, Marianne Schroeder, Armand Angster, Claude Coppens en Yutaka Oya) en ensembles (Champ d'Action, Ensemble l'art pour l'art, Ensemble Q-O2 en Phoenix Trio). Ook jonge Belgische talenten waagden zich reeds aan zijn vaak veeleisende partituren, zoals bijvoorbeeld Daan Vandewalle, Geneviève Focroulle en Ivan Meylemans. De composities van D'haene waren reeds te beluisteren in Brussel, Kiel (Gesellschaft für akustische Lebenshilfe), Londen (Blackheath Concert Halls) en Edmonton (New Music Festival); daarnaast werden enkele werken op cd gezet en zelfs opgenomen en uitgezonden door verschillende radiostations (o.m. BRTN - RTBF - BBC - WDR - CBC). D'haene is ook één van de componisten die voor het voetlicht treden tijdens het project «Brugge 2002» (Brugge als culturele hoofdstad van Europa); de compositie Inert reacting substance of ( ) wordt er door het Symfonieorkest van Vlaanderen uitgevoerd.
Werkbespreking
Uitgangspunt van het denken en componeren van D'haene is de zogenaamde «esthetiek van de woestijn»: alles kan, oftewel: alle soorten materiaal komen in aanmerking voor muzikale verwerking; dit betekent dat ook het historische muzikale materiaal niet bij voorbaat wordt uitgesloten: alles is neutraal geworden. De consequenties hiervan zijn tweeërlei: ofwel maakt men keuzes uit dit enorme arsenaal, ofwel onderneemt men een zoektocht, een eeuwigdurende exploratie, waarvan de beweging zelf de kern uitmaakt en waarvan het doel an sich dus nooit bereikt zal worden. Dit exploratieve element is van bij het begin aanwezig geweest in de muziek van D'haene: hij verkent voortdurend verschillende werelden en kiest onvoorwaardelijk voor pluraliteit en heterogeniteit; bovendien voelt hij niet de behoefte de ene wereld of taal boven de andere verheffen en daardoor polemieken uit te lokken. In deze «woestijnervaring» voelt de componist een zekere verwantschap met Edgar Varèse, die in verband met zijn werk «Déserts» het volgende opmerkte: «Déserts signifie pour moi non seulement les déserts physiques, du sable et de la mer ... qui évoquent ... l'existence hors du temps, mais aussi ce lointain espace intérieur qu´aucun téléscope ne peut atteindre, où l´homme est seul dans un monde de mystère et de solitude essentiel». Ook Saint-Exupéry (Terre des hommes) vormt een belangrijke inspiratiebron voor de esthetiek van Frederic D'haene: «à quoi bon discuter les idéologies ?». Algemeen vormen dichters - eerder dan collega-componisten - de grootste bron van ideeën voor D'haene; dit komt duidelijk tot uiting in werken als Pessoa revisited (1991), waarin teksten van de beroemde poeet de toon zetten voor de interpretatie en het denkwerk van de uitvoerders: op de beginpagina's van de partituur verschijnt de tekst van Pessoa, die in de instrumentale partij moet opgenomen worden als leidraad voor de interpretatie («Niets hecht mij aan niets»); daarnaast wordt van diezelfde uitvoerders verwacht dat zij tekstloos zingen in de loop van het werk. In Wozu Dichter - Millimètres (1992) wordt een Franse Pessoa-tekst («L'ennui, c'est la sensation physique du chaos»), gelijktijdig gebracht door verschillende musici, vermengd met een Duitse tekst van Hölderlin («Wozu Dichter in dürftiger Zeit ?»). De te lezen tekst moet nu eens luidop voorgedragen worden, dan weer stil gelezen en verinnerlijkt worden door de musicus, al staat de tekst ook dan duidelijk geschikt onder de notenbalken.
Het mag intussen duidelijk zijn dat D'haene in deze werken meer van de uitvoerder verwacht dan de vertolking van één enkele voorgeschreven partij: hij moet dit immers combineren met een percussiepartij op zijn instrument of op klein slagwerk, kan ook een zangpartij toegewezen krijgen of moet een tekst voordragen.
Frederic D'haene heeft een zeer uitgesproken visie op de maatschappij, de «samenleving» in de ware zin van het woord: alle (denkbeeldige) barrières die mensen van elkaar scheiden - staten, religies - zouden moeten gesloopt worden. Alleen zo kunnen verschillende culturen elkaar tot inspiratie dienen. Zo is Japan in de loop der jaren een sterk referentiepunt geworden voor D'haene, zonder dat daarbij fantasieloos Japanse volksmuziek geaccapareerd wordt; het is meer het doordrongen zijn van de Japanse wereld en traditie, geënt op vele andere invloeden en de eigen taal van D'haene, dat zorgt voor een ware versmelting van verschillende cultuurconcepten, volgens de idee van «coëxistentie». Deze idee stoelt niet op een blinde naïviteit van de componist, maar wordt onmiddellijk door hemzelf gerelativeerd: het begrip «compositie» is immers zelf westers-cultureel geconnoteerd en manifesteert zich steeds binnen een traditie. De componist komt echter op tegen monistische en dualistische denkbeelden en kiest resoluut voor het pluralisme; vandaar de keuze voor de (on)logica van de paradox, een ander centraal kenmerk van D'haenes denken en componeren. Deze paradox manifesteert zich (zonder koketterie) op alle niveaus van zijn compositieproces: van bij het concept (coëxistentie - eigen traditie / open - gesloten), over de opbouw van een werk (éénheid - fragment) tot de kleinere elementen (vooral merkbaar in de titels van de werken: inert - reacting / dissociations - centromériques).
Wat betekenen deze centrale esthetische concepten nu voor de door D'haene aangewende compositietechnieken en de concrete manier waarop hij aan zijn werken gestalte geeft? De esthetiek van de coëxistentie verschijnt hier als de samenhang van onsamenhangende elementen (oftewel de postmoderne idee van eenheid en fragment die hand in hand gaan), terwijl de idee van de paradox niet verwerkelijkt wordt als een einddoel op zich, maar als een middel tot en resultaat van een voortdurende exploratie naar hoe elementen die elkaar logisch uitsluiten als geheel toch «waar» zijn; voor D'haene betekent «waar» in de muziek immers «intens». Dit alles bracht Frederic D'haene tot de ontwikkeling van zijn «techniek van de paradoxale tooncoëxistenties», die zich manifesteert in verscheidene muzikale parameters, bijvoorbeeld op het vlak van de harmonie: hierbij werkt de componist met spectrale, modale en atonale toonsequenties, waarbij een modaal of spectraal interval tegelijk fungeert als as voor atonaal -gepolariseerde (naar toonhoogte gefixeerde) toonsequenties. Het plaatsen van hetzelfde interval binnen verschillende contexten is trouwens van bij het begin een centrale bekommernis geweest in het compositieproces van D'haene. Ook op het vlak van het ritme kan men deze coëxistentie van meerdere dimensies terugvinden: er heerst een gelijktijdigheid van een constant tempo en veranderlijke tempi (om het harmonisch materiaal duidelijk als een pluraliteit van dimensies te laten verschijnen, en niet als een volstrekte chaos). Tenslotte doet zich op het formele niveau eveneens een simultaneïteit voor van controle en aleatoriek, tot uiting gebracht in een combinatie van massa en stilte, van statische en dynamische lagen (zie ook het werk van Paul Klee, een belangrijke en directe inspiratiebron voor D'haene) van polyfonie en heterofonie (polyfonie van heterogene lagen en heterofonie binnen die lagen). De ontwikkeling van dit concept was een proces van jaren, waarin de componist soms ook bewust van koers veranderde: de modale sequenties die aanvankelijk uitsluitend in trage passages voorkwamen, krijgen in de loop der jaren steeds vaker snelle tempi toebedeeld. In de vroege werken van D'haene overheerste bovendien het principe van de iuxtapositie; vanuit een verlangen naar een meer taaltechnische bedrevenheid, zal de componist later meer lagen boven elkaar plaatsen, zodat successiviteit en simultaneïteit tot een nieuw evenwicht worden gebracht in een kruisstructuur.
De fascinatie voor liggende klanken uit zijn vroege periode heeft vandaag ook plaats gemaakt voor een interesse in al wat beweegt en verandert. Tenslotte heeft de aanvankelijke combinatie van verschillende tekstlagen plaatsgemaakt voor het werken met anderssoortige lagen (o.m. op vlak van tempo, ritme en toonconstellaties).
De idee van de paradox wordt treffend geïllustreerd in Dissociations centromériques (één van de eerste werken die na het sabbatjaar tot stand kwamen); de titel van dit concerto voor piano, slagwerk en kamerorkest draagt reeds een zekere spanning in zich, want verenigt elementen die uit elkaar vallen (dissociatie) met elementen die het middelpunt zoeken («centromeriques»). Ook in Hearing from Nowhere - part 2 werkt D'haene met meerdere lagen en assen: er is een grondtoon die constant blijft weerklinken, maar intussen wel van functie kan veranderen (het gebruik van een liggende basistoon is kenmerkend voor het oeuvre van D'haene); een tweede laag wordt gevormd door het materiaal van fluit, piano en viool die steeds dezelfde (vaak gespiegelde) intervallen produceren, maar in een andere volgorde.
Binnen de pianopartij is er bovendien nog een verdere differentiatie in twee verschillende tempolagen, waardoor het geheel wordt voortgedreven door twee pulsen. Tenslotte constitueren ook de modale sequenties een aparte laag. De componist draagt er zorg voor dat deze constructie niet ontaardt in een onoverzichtelijke chaos, maar dat de zelfstandigheid van de verschillende dimensies gegarandeerd wordt (polyfonie - heterofonie). Een blik op de partituur en de bezetting (centrale rol voor de percussie) werpt verder nog licht op een zeer concreet element in het denken en componeren van Frederic D'haene, namelijk: de dominantie van het ritme. Een ritmische cel vormt bij hem vaak het uitgangspunt van een compositie: een interessant ritmisch idee wordt zo nauwgezet mogelijk genoteerd, uitgewerkt (met technieken als augmentatio, diminutio, etc.) en omweven met toonlagen. Dit materiaal ondergaat vervolgens een (niet-lineair) proces van afbreken, terugkeren, prospectie, ...tot een structuur die gekenmerkt wordt door sterke dichtheidsveranderingen waarin ook plaats is voor de absolute stilte («black hole»). Ondanks de complexiteit van het zo gecreëerde ritmische weefsel kiest D'haene er resoluut voor alles te blijven noteren om de uitvoerder zoveel mogelijk houvast te bieden; dit betekent echter niet dat het aspect van de vrijheid volledig wordt uitgeschakeld. Een door D'haene zelf ontwikkelde speeltechniek (glissandi gecombineerd met ritmische, voorgeschreven snaar wisselingen), verzoent een exacte notatie met een zekere artistieke speelruimte, met een «gecontroleerde aleatoriek» als resultaat.
Het is belangrijk voor Frederic D'haene dat doel en functie van «de kunst» steeds duidelijk voor ogen gehouden worden: kunst moet fascineren, maar ook «conceptueel - leren»; kunst moet nieuwe concepten genereren om de wereld van vandaag te kunnen interpreteren, en dit om te vermijden dat al te zeer wordt vastgehouden aan de concepten en de taal van gisteren.
Werklijst
- Kamermuziek: Communio voor 2 piano's (1989); Sans identité voor basklarinetkwartet (1991); Pessoa revisited voor fluit, cello en piano (1991); Wozu Dichter - Millimètres voor sopraan, fluit, cello, piano en obligate percussie (1992); Objets retrouvés pour la collectivité voor twee trombones (1992); A-centroid voor strijkkwartet (1993); Inert reacting substance of ( ) voor kamerorkest (1993); Hearing from nowhere - part one voor fluit, basklarinet, altviool, cello, percussie en piano (1994 [work in progress]); Dissociations centromériques voor piano, slagwerk en kamerorkest (1997-1998); Poet of liberty voor sopraan, fluit, cello, piano en obligate percussie (1998-1999); Hearing from nowhere - part 2 voor fluit, basklarinet, slagwerk, piano, viool en cello (2000); Désert axiomatique voor slagwerk en strijkkwartet (2001)
- Symfonisch orkest: Scorci dei Mocciolo voor rockcombo en symfonisch orkest (1995)
- Werken voor solo-instrument/stem: For declining times voor piano solo (1990); The peaks were...The valleys came in - Musik für Lara voor piano solo (1992); Brief an Kandinsky voor basklarinet solo (1992);
MusicAnarchy I - to Breathe that void voor solo stem (1998)
- Elektronische muziek: Ohne Titel - Mit Text voor sopraan, piano, strijkers en tape (1990)
- Muziek voor koor a cappella: Allelujàssemblage (1991)
- Muziektheater: Muziektheater «tirannie der hulpverlening» voor fluit, trombone, harp, percussie en twee acteurs (1991)
- Sinds 1992: Trilogyfragments: grote cyclus van zeven werken, waartoe reeds vier van de hierboven vermelde composities kunnen gerekend worden (work in progress).
Bibliografie
Y. KNOCKAERT, art. Frédéric D'Haene, in M. DELAERE, Y. KNOCKAERT en H. SABBE, Nieuwe muziek in Vlaanderen, Brugge, 1998, p.156-158
Discografie
Niet beschikbaar
Uitgever
Niet beschikbaar
Coordinates
de Vang 51, 6581 DP Malden (Nederland)
tel 0031 (24) 355 21 57 - fax 0031 (24) 355 21 57
frederic [dot] dhaene [at] freeler [dot] nl
©2002 Sofie Taes, voor MATRIX








