Nees Vic (1936)
Vic Nees werd geboren te Mechelen op 8 maart 1936, als zoon van beiaardier-componist Staf Nees. Na een jaar Letteren en Wijsbegeerte (K.U.L.) trok hij naar het conservatorium van Antwerpen waar hij de eerste prijzen harmonie, contrapunt, fuga en compositie behaalde bij o.m. Marcel Andries en Flor Peeters. In 1964 werd hij laureaat van de "Meisterkurs für Chorleitung" o.l.v. Kurt Thomas aan de Hochschule für Musik te Hamburg.
Vanaf 1961 is Nees verbonden aan de BRT, eerst als producer koormuziek en vanaf 1970 als dirigent van het radiokoor. Van 1961 tot 1969 leidde hij het Vokaal Ensemble Philippus de Monte te Mechelen en het Ter Kamerenkoor te Brussel.
Nees werd reeds verscheidene keren bekroond voor zijn composities : in 1973 ontving hij de Prijs Eugène Baie voor zijn volledige koormuziek, in 1990 de AGEC-prijs (uitgereikt door de Arbeitsgemeinschaft Europäischer Chorverbände) voor Regina Coeli-Blue be it (1988) en in 1995 de Vondelprijs (van de Alfred Toepfer Stiftung in Hamburg). In 2004 kreeg hij de Klara-carrièreprijs en ter gelegenheid van deze prijs en het 75-jarig bestaan van de openbare omroep in België vond in Kortrijk een huldeconcert plaats.
Hij wordt regelmatig gevraagd als jurylid op koorfestivals (Arezzo, Cork, Tours, Neerpelt,...) en door zijn koordirectielessen, bijdragen in tijdschriften en radioprogramma's en zijn uitgaves van koormuziek uit heden en verleden mag hij beschouwd worden als een belangrijke schakel in de vernieuwende koormuziekbeweging. Daarnaast speelt Vic Nees ook een belangrijke rol in de amateurkoorwereld, en is hij consulent bij de Europese Federatie van Jonge Koren.
Werkbespreking
Reeds vanaf zijn eerste composities zet Vic Nees zich af tegen de Vlaamse romantische traditie en sluit hij (o.i.v. Kurt Thomas) aan bij de Duitse koorbeweging, die vooral belangstelling heeft voor de literair-religieuze tekst en de kerkmuziek in het algemeen. We zien duidelijke overeenkomsten met de stijl van Hugo Distler en Paul Hindemith, vb. in de Sonatine voor piano (1968). Nauw verwant met de esthetica van deze koorbeweging is ook het teruggrijpen naar de authenticiteit van de renaissance en de vroegbarok. Ook Nees liet zich inspireren door de muziek uit deze periodes, met Schütz als grote voorbeeld. Het is vooral de vocale polyfonie die Vic Nees zal toepassen in zijn composities.
Vic Nees componeert vooral opdrachtwerken, dikwijls het verplichte werk voor een wedstrijd. De keuze van de tekst en de tekstplaatsing is voor hem van heel groot belang. Hij maakt vooral gebruik van de Nederlanse taal, omdat hij zich, zoals hij het zelf zegt, verantwoordelijk voelt voor zijn eigen cultuur. Wat betreft de inhoud van de teksten is er een geleidelijke evolutie merkbaar. In zijn vroege werken benadrukt hij vooral het abstract-theologische, met speciale aandacht voor de psalmen (vb. Mijn Herder is de Heer, ps.23 (1958), Looft den Heer in zijn heiligdom, ps.133 (1963)).
Tussen 1967 en 1972 bevatten zijn teksten vooral een maatschappelijk geëngageerde boodschap, zoals we o.a. zien in de kerstcantate Rachel (1971) waarin de Betlehemse kindermoord wordt geactualiseerd. In opdracht van het Festival van Vlaanderen componeert hij Mattheus en de rijkdom (1971), waarin hij kritiek uit op de bezitsdrang. Vanaf 1972 stapt hij af van deze geëngageerde teksten en legt terug de nadruk op religieuze composities (vb. Veni sancte Spiritus (1982), Ego Flos (1995)).
Naast geestelijke teksten maakt hij heel veel gebruik van wereldlijke teksten, zoals in zijn talloze bewerkingen van volksliederen, waarvan hij naast afzonderlijke composities (Onder de linde (1962), Gekwetst ben ik van binnen (1969), Hoe lustich is den Somer (1973)) verschillende bundels samenstelde (Ik kwam er lestmaal (1966), Wech op! Wech op! (1968), Ik ben van nergens en overal (1973)).
Vic Nees hecht veel belang aan de tekstverstaanbaarheid. De tekst bepaalt het tempo, de melodie, het ritme en de harmonie (die bij Nees eerder tonaal is). De melodieën bij Nees vertonen soms een prachtige lyriek, maar ze staan altijd zo dicht bij de tekst dat ze in de vertolking geen enkele bijkomende versiering verdragen. Dit leidt soms tot spreekkoren en gereciteerde passages. Omgekeerd moet de muziek de tekst ook verklaren door middel van tekstschildering. Nees maakt gebruik van verschillende technieken om de uitdrukking van de inhoud te vergroten, zoals repetitieve elementen (Lesbia (1978)), clusters (Rachel (1970)) en complexe ritmes (bijvoorbeeld doorgedreven syncoperingen in Psalm 150 (1963)).
Op het einde van de jaren '60 (vanaf de kesrtcantate Rachel) experimenteert Nees voor het eerst met de avant-gardistische koortechnieken. Componisten als Penderecki en Cerha gebruikten de stem reeds op een onconventionele manier: de zangers moesten lachen, fluiten, zingen met gesloten mond en fragmenten voordragen in "sprechgesang". Nees bleef deze technieken echter met mate gebruiken ten voordele van de verstaanbaarheid van de tekst. Nadien volgde een aantal werken waarin opnieuw het accent ligt op de intieme uitdrukkingskracht, zoals bijvoorbeeld Aurora Lucis, een cantate voor kinderkoor, jeugdkoor en strijkers die geschreven is voor het Jaar van het Kind.
In zijn Magnificat (1981), voor sopraansolo en gemengd koor a capella, streeft Vic Nees naar "nieuwe eenvoud" met herontdekking van de diatoniek en een bescheiden gebruik van repetitieve middelen. Het werk is opgedragen aan Kamiel Cooremans ter gelegenheid van zijn twintigjarig jubileum als dirigent. Het geheel bestaat uit negen delen waarbij de eerste drie delen (A-B-C) en de laatste drie (C-B-A) op vlak van muzikaal materiaal met elkaar overstemmen. Door het gebruik van verschillende compositietechnieken en -stijlen geeft Nees aan elk van deze negen onderdelen een eigen subjectieve uitdrukkingskracht.
Nees integreert niet-klassiek-westerse elementen in zijn muziek. In Bonum est confidere Domino (voor tenor, harp, percussie en koor), doet de instrumentale inleiding denken aan de Keltische harpmuziek. Hij maakt gebruik van elementen uit de wereldmuziek, zoals de verwerking van tamtamsignalen en de verwijzing naar flamencomuziek. In Vigilia de Pentecostes (een groots koorwerk voor solisten, orgel en hoorn dat in opdracht geschreven is voor het congres over hedendaagse religieuze muziek in Montserrat in 1972) imiteert hij de joodse shofar.
Regina Coeli-Blue be it (1988), een compositie voor vijfstemmig koor, sopraansolo en celesta werd geschreven in opdracht van het koor Musica Nova uit Boom en werd in 1990 bekroond met de AGEC-prijs. De titel wijst op het gebruik van 2 talen : het koor zingt een Latijns Mariamotet terwijl de sopraan tussenkomt met fragmenten uit een Engels gedicht uit de 19e eeuw, nl. The blessed Virgin compared to the air we breathe van Hopkins. Het confronteren van twee uiteenlopende tekst- en muziekbronnen vinden we ook terug in Nuestra Señora de la solidad (1991), waar het Stabat Mater en het Sub tuum praesidium samen aangewend worden.
Het oratorium Anima Christi (1990) is gecomponeerd voor de "Laudes voor Ignatius van Loyola", n.a.v. diens geboortedag 500 jaar geleden. Het werk, voor vocale solisten, koor, 4 klarinetten, contrabas, piano, vibrafoon, clavecimbel en percussie, is gecomponeerd op tekst van E.H. A. Boone. Boone (die ook de tekst leverde voor de kerstcantate Rachel) baseerde zich op bijbelteksten, gebeden en geschriften van Ignatius van Loyola. Reeds in de prelude (met de titel Vanitas Mundi) worden we geconfronteerd met de symboliek die zo eigen is voor Vic Nees. De instrumenten staan hier voor het wereldse aspect, de menselijke stem daarentegen bevindt zich een stapje dichter bij de hemel.
In het Trumpet Te Deum, voor hoge sopraan, 2 trompetten in C en gemengd koor (2003), opgedragen aan Peter Dejans en Musa Horti, zet Nees de Latijnse tekst van het Te Deum Laudamus (U, God, Loven wij) op muziek. Doorheen de compositie, die in zeven delen uiteenvalt volgens de segmenten van de tekst, slaagt de componist erin om uiteenlopende stemmingen op te roepen; van het feestelijke karakter van het wervelende derde deel (Patrem immensai majestatis) tot het smekende, bijna smachtende vijfde deel (Te ergo quaesumus). Bij het oproepen van deze verschillende sferen is het aandeel van de twee trompetten niet over het hoofd te zien. Met behulp van verschillende soorten dempers wordt de klank van de instrumenten aangepast aan de harmonische omgeving waarin het koor zich bevindt.
In het vijfde deel nemen de trompetten actief deel aan de verwerking van het beginmotief, dat zich aanvankelijk in een dubieuze A groot/a klein sfeer situeert. De onderliggende harmonie is vaak mild dissonant en resulteert in een vrij pessimistisch klankbeeld, wat mooi aansluit bij de tekst (Te ergo quaesumus, ruis famulis subveni, quos pretioso sanguine redemisti; Wij bidden U derhalve, kom Uw dienaren te hulp, die Gij door Uw kostbaar bloed verlost hebt).
De sopraan solo draagt doorheen het werk bij aan het briljante karakter van de muziek door de vrij hoge tessituur waarin ze zich bevindt, maar kan ook heel intiem naar voor gebracht worden. Ondanks de vrij uiteenlopende stemmingen waartussen het werk zich beweegt, slaagt Vic Nees er toch in een coherente structuur op te bouwen die van begin tot einde weet te boeien.
Werklijst
- Liederencycli : Ons derde land (1974); Requiem voor een kind (1976); Verborgen roos (1977); Two songs (1982); Op de keerkring (1982-83)
- Koorcycli : Fünf Motetten (1964); Mattheus en de rijkdom (1971); Birds and flowers for Flor's and William's birthday (1973); Als een duif op een dak (1974); Seven madrigals (1976); Lesbia (1978); Magnificat (1981); Gisekin-triptiek (1981-82); E cantico canticorum fragmenta (1994); Ego Flos (1995); Windharp (1996); Sion psalm 87, motet voor 3 sopranen en tamboerijn (2001); Singet dem Herrn (2001); In Memoriam (2001); Nu is die roe van Jesse (2002); Zwei Chorlieder (2002); Filosofenfontein (2003); In Diebus Festivis Cantica (2004); Drie Pelgrimsliederen van David (2004); Zingen (2005); Aachener Ave Maria (2005)
- Vocaal-instrumentaal : Veni Sancte Spiritus (1982); Neusser Messe (1988); Concerto per la beata vergine met hobo-solo (2000); Stella Maris, met accordeon (2002); Trumpet - Te Deum voor hoge sopraan, 2 trompetten in C en gemengd koor (2003); Psalm 122 (2004)
- Cantate : Rachel (1971); Mammon (1972); Aurora Lucis (1978-79); Nausikaä (1985-86); Liermolen (1986); Nuestra Señora de la soledad (1990); De zee is een orkest (2000)
- Oratorium : Anima Christi; Laudes voor Ignatius van Loyola (1991)
Bibliografie
- Y. KNOCKAERT, De modernisten, in Nieuwe Muziek in Vlaanderen, uitg. dr. M. DELAERE, Y. KNOCKAERT en H. SABBE, Brugge, 1998, p.109-133
- K. THEUWISSEN, Vic Nees: de cirkelgang van een inwendig lied, in Ons Erfdeel, 2/92, p. 255
- P. VAN MOERGASTEL, Vic Nees, compositeur belge, in International Choral Bulletin, 3/93, p. 47
- J. VAN DEUN, La reconnaissance internationale pour Vic Nees, in Septentionl, 2/96, p. 86
- K. COOREMANS, De retoriek van Vic Nees, in Muziek & Woord, 5/2001, p. 18
- W. SCHEPPING, Die „Neusser Messe“ von Vic Nees, in Musica Sacra, 1/2002
(www.musica-sacra-online.de)
Discografie
- VIC NEES. SACRED CHORAL WORKS (Vlaams Radiokoor), René Gailly 92029
- IN FLANDERS' FIELDS, vol.6 (Vlaams Radiokoor), Phaedra 92006
- ARVO PÄRT. VIC NEES (Regerchor Braunschweig), eigen beheer
- IN FLANDERS’ FIELDS, vol.42 (Musa Horti), Phaedra 92042
Uitgever
De Notenboom (Kontich)
Annie Bank (Amstelveen, Nederland)
Möseler Verlag (Wolfenbüttel, Duitsland)
Links
For Flemish choir music in general and music of Vic Nees in particular:
http://www.koorenstem.be
http://www.cvm.be
Coordinates
Max Havelaarlaan 7, 1850 Grimbergen
tel + fax (02) 269 50 33
©2001 Els Vercammen en Kristien Heirman, voor MATRIX
©2005 Klaas Coulembier, voor MATRIX (update)








