Nuyts Frank (1957)

Frank Nuyts wordt geboren op 3 februari 1957 te Oostende. Zijn muzikale vorming krijgt hij aan het Koninklijk Muziekconservatorium in Gent, waar hij hogere diploma's behaalt voor slagwerk en kamermuziek. Na het voorleggen van enkele composities, geschreven tijdens zijn studieperiode, wordt Nuyts uitgenodigd door de componist Lucien Goethals om bij hem compositie en analyse van 20e-eeuwse muziek te studeren. Vooral de studie van de muziek van Goethals zelf, van Webern en de andere modernen, beïnvloedt Nuyts. De eerste officiële composities die in die periode ontstaan, zijn dan ook gecomponeerd in een post-serieel idioom. Een verdere inspiratiebron vindt de componist in de contemporaine literatuur, een gegeven dat een constante zal blijven in Nuyts loopbaan. Daarnaast was zijn betrokkenheid bij de opvang van Chileense vluchtelingen de aanleiding tot het schrijven van verschillende werken waarin de componist zich als geëngageerd kunstenaar profileert, en waarin de invloed van de Latijns-Amerikaanse muziek te merken is. Als slagwerker creëert Nuyts in die periode enkele speciaal voor hem gecomponeerde werken van o. a. Buckinx, Goethals en Goeyvaerts.
In 1977 leert hij ook zijn vrouw, de pianiste Iris De Blaere, kennen, die vele van zijn werken zal creëren.
In de periode 1979 tot 1985 krijgt Nuyts stilaan bekendheid binnen de scène van de nieuwe muziek. Hij wint enkele prijzen (o.a. in 1979 de Tenutoprijs voor compositie van de BRT voor Alsof de hand nooit meer weggaat en in 1981 een bekroning voor de soundtrack (de compositie Bombos del Sol) van de abstracte animatiefilm Kosmogonia op het filmfestival van Brussel). Hij onderneemt een concertreis naar Hongarije (1982) en kan op enkele belangrijke gelegenheden zijn stukken laten creëren (o. a. Philtre op het Gaudeamus festival voor Nieuwe Muziek te Amsterdam (1984) en Squib ter afsluiting van het congres in 1985 te Seoul over neotonale muziek). In 1985 wordt Nuyts benoemd als leraar compositie en slagwerk aan het Koninklijk Muziekconservatorium van Gent.
Na een periode van bezinning slaat Nuyts in 1986, door zijn interesse voor niet-klassieke muziek en door zijn vriendschap met de componist Boudewijn Buckinx, een andere weg in en wordt hij samen met Buckinx één van de belangrijkste vertegenwoordigers van het postmodernisme in Vlaanderen. Zijn eerste belangrijke postmoderne werken Rastapasta en Woodnotes, worden in 1987 samen met enkele stukken van Buckinx gecreëerd tijdens een controversieel concert in Gent. In 1989 wordt om een geëigende accurate uitvoering van zijn werken te garanderen, de groep Hardscore opgericht. Op die manier wil Nuyts een brug slaan tussen de meer commerciële muziek en de hedendaagse klassiek. Verdere belangrijke feiten uit de periode 1986 tot 1995 zijn de samenwerking met het kunstencentrum Vooruit in Gent (creaties van B-Side Art, Music to raise hell, Ga.n en Le concert impromptu), de contacten met de componist-dirigent Dirk Brossé (creaties van When the tombs of brass are spent en de tweede symfonie), enkele concertreizen naar Glasgow en Wenen en in 1992 de Prix de la musique contemporaine de Québec voor het volledige kamermuziekoeuvre. In 1995 ontvangt Frank Nuyts de vijfjaarlijkse cultuurprijs van de Stad Gent.
Vanaf 1995 neemt de groep Hardscore een centrale plaats in in Nuyts' composities: hij componeert 6 boeken Hardscores, waarvan de laatste in 2000 afgewerkt werd. In 1997, 1998 en 1999 worden er ook CD-opnames gemaakt van de respectievelijke Hardscore-boeken 4, 2 en 3, en 5. Daarnaast componeert Nuyts, meestal in opdracht, enkele werken voor een meer klassieke bezetting.
Sinds 2002 levert hij composities voor het theatergezelschap Ensemble Leporello. In 2003 componeerde hij in samenwerking met Dirk Brossé, Lucien Posman en Frederik Devreese een liedbundel op teksten van Pushkin. Hij schreef in 2004, in opdracht van het Symfonie orkest Vlaanderen, "Different from habit" en in 2005 zijn 4de Symfonie (Brandgang) in opdracht van VZW Zonzo voor deFilharmonie. Naar aanleiding van het Mozartjaar 2006 werd hem gevraagd een compositie te schrijven op basis van overgebleven manuscripten. Dit resulteerde in de compositie en uitvoering van Rats and Rabbits. Tot op vandaag blijft Nuyts een bijzonder actief componist, zowel voor kleine als voor grotere bezettingen.

Werkbespreking

Nuyts eerste belangrijke compositie, Alejándome del camino voor fluit en piano (1976), is gecomponeerd in een serieel idioom: de toonhoogtes worden door reeksen geordend, er is een grote diversiteit qua volume en speeltechnieken, en het laatste deel is als de kreeft van het eerste geconcipieerd. Een belangrijk kenmerk van Nuyts' muziek, het doorgaans snelle tempo, komt hier al duidelijk naar voor.
Vanaf 1980 tracht Nuyts het serialisme te verzoenen met een toonspraak waarin tonale intervallen terug hun plaats krijgen. Sonivers II (1980) is een politiek getint werk in verband met de toenmalige gebeurtenissen in Chili. Nuyts gebruikt teksten van Latijns-Amerikaanse dichters, en de tape van het werk is gebaseerd op permutaties van de getallen 1, 9, 7 en 3, de datum van de coup in Chili. In dit stuk wisselen duidelijk serialistisch klinkende passages af met Latijns-Amerikaanse melodieën à la "El condor pasa". De overgangen zijn zeer subtiel en de beide sferen versmelten steeds meer met elkaar. Ook hier is het stuwend element van een traditionalistische ritmiek steeds aanwezig. Een volgend werk, Sprint (1982), leeft volledig van zijn stuwing en drive. Het is een programmatisch stukje dat met zijn vele stilstanden en uiteindelijke rush, de surplace en de sprint van het baanwielrennen wil evoceren. Ook in het saxkwartet La sale mère, le boeuf et le crampon (1981) komen triviale elementen voor.
Binnen dit technisch uiterst moeilijk werk worden populaire deuntjes geciteerd en komen, zo zegt Nuyts, al de "vulgaire trekjes van de sax" aan bod. Dit alles gebeurt tegen de achtergrond van een serieel georganiseerd tijdsverloop - Nuyts spreekt van tijdsreservoirs - die dus in alle vrijheid en volgens zelf gekozen principes "opgevuld" kunnen worden met het meest uiteenlopende materiaal. Squib is het laatste stuk van Nuyts dat nog volgens seriële principes georganiseerd is. In dit stuk gaat de componist uit van een ritmische cel, waaruit hij verschillende andere ritmische patronen ontwikkelt die hij in een bepaalde constellatie contrapuntisch combineert. Uit dit ritmische contrapunt leidt Nuyts een quasi tonale melodische lijn af, waaruit op haar beurt een tweede, ook tonaal klinkende melodie gevormd wordt. Het stuk wordt dan gebaseerd op deze twee melodieën. Het lukt Nuyts echter deze op zich tonale muziek, atonaal te laten overkomen door ze te combineren met een typisch seriële gestiek.

De volgende belangrijke compositie, Rastapasta (1986), laat een duidelijke breuk zien in Nuyts' componeren. Vanaf dit werk laat hij het serialisme achter zich. Muziek mag eenvoudig tonaal zijn en een beat hebben. Niet het materiaal van het werk schijnt hem belangrijk, wel de manier waarop daarmee in een compositie wordt omgegaan. De toehoorder wordt uitgenodigd te luisteren naar de fijne subtiliteiten die zich onder die ogenschijnlijk eenvoudige muziek verbergen en die juist door het eenvoudige materiaal waarneembaar worden. Voor het ritme haalt Nuyts inspiratie uit de reggae en bij de popgroep The Police. Het is zeer typisch voor deze muziek dat zowel bij de drum als bij de zang, de nadruk slechts zeer zelden op de "juiste" plaats komt, maar dat steeds "zwakke" tellen in de maat als zwaartepunt dienen. De harmonie ondergaat diezelfde verschuivingen waardoor ook op dit vlak een ambiguïteit ontstaat die alles veel complexer doet lijken dan het eigenlijk is. Ook het omgekeerde geldt voor Nuyts' stukken: achter de ogenschijnlijke eenvoudige muziek verbergt zich een hoge graad aan technische virtuositeit en complexiteit. Nuyts speelt in zijn muziek met de perceptie van de luisteraar: hij laat hem genieten, maar neemt hem ook beet met eenvoudige middelen.
Rastapasta, de naam duidt al op de vormgeving van het stuk (Rasta verwijst naar reggae en pasta naar het verschuivingselement), is dus het eerste stuk dat volgens deze principes geschreven is. Het is gebaseerd op een motief uit Don't stand so close to me van The Police, dat in een steeds wisselende context onveranderd herhaald wordt. De Symphony of Scraps (1988) (de "stukjes"-symfonie) bestaat uit een aantal totaal onafhankelijk gecomponeerde fragmenten die naast elkaar geplaatst zijn. Ondanks het heterogene materiaal weet Nuyts in dit werk een symfonisch gevoel over te brengen. De Tweede Symfonie "Wal" (1993) is neoromantisch van opzet, en toont aan dat Nuyts' basisconcept dat met Rastapasta ontstaan was, ook een gevoelige kant heeft.
In 1995 begint Nuyts met de compositie van verschillende boeken voor Hardscore; het zijn er intussen al zes: alles samen meer dan vier uur muziek. Nuyts poogt zo een volledig Hardscore-idioom uit te bouwen; een idioom dat met composities als B-Side Art (1990) en When the tombs of brass are spent (1991) vorm kreeg en duidelijk de invloed van Frank Zappa verraadt. Elk boek is geconcipieerd rond een bepaald, soms maatschappijkritisch thema zoals ecologie of de zee. Nuyts' trekt in zijn Hard Scores nog meer de kaart van de rockmuziek: de klank wordt bepaald door drums en synthesizers, waarbinnen de andere muzikanten (o.a. marimba, sax, vibrafoon, zang) vreemde capriolen maken. Aan deze weerbarstige trekjes: de vreemde wendingen in de zanglijn, de plotse overgangen, het doorbreken van de beat en de technisch zeer hoge moeilijkheidsgraad, hoor je nog Nuyts "klassieke" achtergrond. Enkele belangrijke nummers zijn: The vaporous existence of Harry the Termite (boek 2), Indian Prodioux (boek 3), Bolere en Deaf by techno (boek 4), Kite control (boek 5). In Hard Scores for Orchestra (1996) wordt het Hardscore-idioom naar een klassiek orkest getransponeerd. Daartegenover staat de Derde Symfonie die gecomponeerd werd als pendant van Haydns Symfonie nr. 22, waarin we zeer duidelijk de invloed van Stravinsky kunnen herkennen.

In de Vierde Symfonie (Brandgang) uit 2005 vertrekt Frank Nuyts van Klytaimnestra’s monoloog uit de tweede scène van Aischylos’ Agamemnon. Dit werk is geschreven voor deFilharmonie en Ensemble Leporello en bestaat uit drie grote delen. Het eerste en derde deel staan tegenover elkaar door de respectievelijk titels: De puinhopen van Troje en De vreugdevuren van Mycene. Het tweede deel bestaat uit tien delen die soms nog verder onderverdeeld worden in kleinere segmenten. In zes van die delen staat het woord Brandgang in de titel, zoals in Brandgang in wijde cirkelvorm of Brandgang met estafette.
Vuur en licht zijn de kernwoorden in alle titels, zoals in Brandgang: Hefaistos steekt de vuren in de smidse aan of Dansende vlammen op het Gorgoposmeer. Verder is er in elk deel een instrumentengroep die het hoge woord voert. Op die manier zet Frank Nuyts het orkest als een ‘lopend vuur’ in lichterlaaie. De twaalf delen waaruit de hele compositie bestaat, staan voor de twaalf vuursignalen waarmee de val van Troje werd aangekondigd. Door de choreografie overstijgt deze compositie het louter orkestrale, en spreekt de componist dan ook van een ‘compografie’. Muzikaal – en met de juiste belichting ook visueel – is deze compositie bijzonder kleurrijk, enerzijds door het enorme arsenaal aan slagwerk en anderzijds door de registerveranderingen die in Nuyts’ formeel concept vervat zitten. Door verschillende instrumentengroepen in de schijnwerpers te zetten wordt het symfonieorkest een veelgelaagd en bijzonder flexibel apparaat. De rijkdom aan technische, dynamische en interpretatieve aanduidingen in de partituur wijst op een bewuste zoektocht van de componist naar een gediversifieerd kleurenpalet.

Werklijst

- Orkest: Alsof de hand nooit meer weggaat (1979); Squib (1985); Woodnotes (marimbaconcerto, 1987); A Symphony of Scrabs (1988); Tweede Symfonie "Wal" (1993); Hard Scores for Orchestra (1996); Derde Symfonie (1997); Different from Habit (2004); Vierde Symfonie (Brandgang) (2005)
- Kamermuziek: Alejándome del camino (1976); Bombos del Sol (1981); La sale mère, le boeuf et le crampon (1981); Sprint (1982); Philtre (1984); Rastapasta (1986); Quirks (1989); Quadramania (1991); Music to raise Hell (1992); Five-penny Beats & The seven Beats Itch (1993); Fast Wood Quintet (1994); Only Heads and Tails (1996); Derde Symfonie (1997); Kaleidoscope (2002); Low-key Music (2004); Voortbestaan (2005); Rats and Rabbits (2005)
- Pianomuziek: Adagio (1980); Uit een verborgen lade (1982); Cloudscapes I (1986),
Za-va-pa (1989); They're no better than they schould be (1991); Edgeways (1994); Mock-up Rock Book 1 (1996); zes Pianosonates (2002-2006)
- Vocale muziek: Sonivers II (1980); Water Music (1989); Claus harmonieën (1992); Ga.n (1993); Airs à gogo (1994); 5 liederen uit Ga.n (1995); Swift Songs (1997); Anthology (2004); Old Airs (2006); The Abduction of the East (2006)
Hardscore (ev. met uitbreiding): B-Side Art (1990); When the Tombs of Brass are spent (1991); Frank Zappa Arrangements (1995); Hard Scores Book 1 to 6 (1995-2000)

Bibliografie

- Y. KNOCKAERT, art. Frank Nuyts, in Nieuwe Muziek in Vlaanderen, uitg. dr. M. DELAERE, Y. KNOCKAERT en H. SABBE, Brugge, 1998, p. 148-151

Discografie

- Bonbos del Sol, NOTES 94 (W. Konink en M. Andriessen), WPR - 007
- Woodnotes (Collegium Brugense cond. by F. Nuyts, solist: R. Van Sice), KTC - 1085
- Five-penny Beats & The seven Beats itch, BELGIAN CONTEMPORARY CHAMBER MUSIC (Spectra Ensemble cond. by F. Rathé), VTP - CD92 026
- Cloudscapes (piano: I. De Blaere), WW - IG - 09
- Hard Scores Book 2 & 3. Methane (Hardscore), C7 - 035
- Hard Scores Book 4. Tubes for Sections (Hardscore), eigen uitgave
- Hard Scores Book 5. Surf, Wind and Desire (Hardscore), C7 - 045

Uitgever

HrdScr Editions

Links

http://www.hardscore.be

Coordinates

Jakob Heremansstraat 74, 9000 Gent
tel +32 (0)9 220 87 53
mobile +32 (0)496 53 75 53
nuyts [dot] hardscore [at] pandora [dot] be


©2002 Lieven Van Ael, voor MATRIX