Steegmans Paul (1957)
Paul Steegmans werd geboren op 3 juli 1957 in Hasselt. In 1980 behaalde hij het diploma van "Laureaat piano en muziekopvoeding" aan het Lemmensinstituut te Leuven, waar hij in 1985 een eerste prijs fuga mocht ontvangen. Vanaf 1981 volgde hij vervolmakingscursussen piano bij André de Groote (Brussel), Jacques de Tiège (Antwerpen) en Jean Franssen (Maastricht). Later studeerde hij bij Willem Kersters aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen en behaalde er in 1993 een eerste prijs compositie. Steegmans werd laureaat van de compositiewedstrijd Baron Flor Peeters (met Concertstuk voor orgel uit 1983) en tweemaal van de wedstrijd Cantabile (met Dans en Scherzo voor piano). In 1989 werd zijn Sonate voor klarinet en piano bekroond met de Prijs Albert de Vleeschouwer. De composities van Steegmans werden reeds uitgevoerd in Japan, Finland, Costa Rica en Cuba. Sinds 1980 is de componist als leraar piano en begeleiding verbonden aan de Genkse Academie voor Woord en Dans en is hij gastprofessor praktische harmonie aan het Lemmensinstituut. Verder is Paul Steegmans vooral bekend als begeleider van zangers en koren, en als solist en improvisator gaf hij concerten in binnen- en buitenland, waaronder Duitsland, Zweden en Engeland.
Werkbespreking
Paul Steegmans bewandelt in zijn composities verschillende wegen. Sommige van zijn werken zijn zeer expressief en dissonant, andere zijn dan weer duidelijk geïnspireerd door de jazz of de volksmuziek. De keuze van een muzikaal idioom hangt meestal af van de opdrachtgevers of van de bestemming van de muziek. Een werk voor professionele muzikanten van bijvoorbeeld een kamermuziekensemble of strijkorkest is doorgaans meer dissonant dan een compositie voor een kinder- of jeugdkoor. Toch zal de componist zich nooit op het domein van het extreme begeven en kan zijn stijl nog het best worden omschreven als een soort neoromantiek. Steegmans componeert graag in aansluiting met de romantische traditie die hij dan op een persoonlijke manier zal invullen. Naast solowerken (vooral piano- en orgelwerken), liederen en composities voor orkest maakte hij ook heel wat bewerkingen, onder andere van religieuze gezangen.
Zowat zijn meest bekende kamermuziekwerk is het Trio voor viool, altviool en cello, opgedragen aan violist Guido De Neve. Dit driedelige werk begint met een krachtige unisono inzet, waarvan het thema doorheen de compositie wordt verwerkt. Het komt in deze compositie vaak voor dat een motief een aantal maten herhaald wordt door twee instrumenten waarbij dan het andere instrument een melodie voor zijn rekening neemt. Een ander kamermuziekwerk is Girolago, een vijfdelige suite voor klarinetensemble en piano. Het werk dankt zijn naam aan de tour langs het Gardameer en de namen van de 5 delen komen overeen met vijf stadjes die Steegmans tijdens een koorreis rond dit meer bezocht. De impressies van deze plaatsen werden omgezet in een muzikale taal; zo is in het laatste deel (Garda) een processieritme te horen en weerklinkt er een koraalgezang omdat de componist in deze stad een gezongen processie mocht meemaken. Ook de andere delen hebben een eigen karakter. Zo klinkt het eerste deel (Sirmione) zeer lyrisch (een constante in het oeuvre van Steegmans), is het derde deel (Riva) geïnspireerd op de volksmuziek en baadt het vierde deel (Malcesine) in een intieme sfeer.
Het Saxofoonkwartet, geschreven in opdracht van de Notamus-kamermuziekwedstrijd en opgedragen aan het Glazounovkwartet, is zowat het modernste stuk dat Steegmans heeft gecomponeerd. De eerste beweging van dit driedelig werk voor sopraan-, alt-, tenor- en baritonsaxofoon begint met een imitatieve passage, een techniek die de componist wel vaker aanwendt. De onderstemmen vallen fugatisch in waarna de sopraansax naar voren treedt met nieuw materiaal. Na een homofone, ritmisch geprofileerde passage (in 9/8, 12/8 en 6/8) volgt een nieuw thema in de baritonsax dat (net zoals het eerste thema) gebruik maakt van alle 12 chromatische tonen binnen het octaaf. Deze melodie wordt verwerkt door spiegeling en door het thema naarmate de compositie vordert zo in te korten dat er alleen nog een ritmische cel overblijft. Eerst gebeurt dit in de buitenste stemmen waarna de binnenste stemmen deze rol van motiefverwerking overnemen. De sopraan- en baritonsax leveren dan een ritmische begeleiding. De korte solo voor de baritonsax die volgt, laat het geheel even verademen alvorens verder te gaan met materiaal dat rechtstreeks kan gelinkt worden met dat van de ritmische passage. Deze passus wordt echter hier uitgebreid en wordt afgesloten met een krachtig en ritmisch crescendo. De andere delen hebben een vrij conventionele vorm, wat nog maar eens bewijst dat de componist de bestaande traditie op een eigen manier wil volgen. Zo is het tweede deel (waarvan het beginthema later werd verwerkt in het oratorium Stad van vrede) een klein driedelig lied en is in de laatste beweging een soort rondostructuur terug te vinden.
Steegmans schreef daarnaast een aantal bewerkingen van volksliederen zoals de Drie Oud-Nederlandse volksliederen voor strijkkwartet uit 1991. Deze arrangementen van respectievelijk Gekwetst ben ik van binnen, Heer Halewijn en Het waren twee koningskinderen zijn in een traditionele muzikale taal geschreven maar overstijgen toch met gemak het niveau van bewerken in de zin van het louter voorzien van een harmonische onderbouw. De stukken zijn zeer sfeerscheppend in hun orkestratie en door het gebruik van parallelle kwinten als een soort bourdonbegeleiding. Verder karakteriseren deze composities zich door wisselingen in maatsoorten, imitatieve passages en (gematigde) dissonanties.
Bovendien schreef Steegmans heel wat werk voor koor en een aantal liederen, onder andere op teksten van Guido Gezelle zoals Die avond en die roze voor middenstem en piano uit 1985 en de Drie Gezelle-liederen uit 1994 voor middenstem en gitaar. Deze drie liederen (Michaël - waarbij de begintonen van de melodie zijn afgeleid van de naam Mietje en De bie) zijn ook vrij traditioneel opgevat. De gitaar speelt een begeleiding van repeterende motieven waarboven een lyrische melodie wordt geplaatst. Het geheel doet romantisch en lichtvoetig aan door de conjuncte cantabile-melodie en door het ontbreken van sterke ritmische contrasten. De maatwisselingen kunnen volledig verklaard worden vanuit de tekst. Om de 7 jaar schrijft de componist ook muziek voor de Hasseltse Virga Jesse-feesten, wat naast 8 orkestrale dansen voor de processie resulteerde in vele bewerkingen van liederen van Paul Schollaert, de man die Steegmans' interesse voor muziek opwekte.
Ook met zijn koorwerken bewijst Steegmans dat hij zich gemakkelijk kan aanpassen aan het genre en aan de mensen waarvoor het stuk is bedoeld. De liederen voor jeugdkoor of kinderkoor zoals De regen en ik naar een gedicht van René Geldof en deze uit de bundel Kinderwereld (acht eenstemmige liederen op gedichten van Annie M.G. Schmidt) klinken elegant, volks en vrij tonaal maar overstijgen toch de eenvoud door maatwisselingen en zachte dissonanten. Het vierstemmige koorwerk Muziek, geschreven naar aanleiding van het vijftienjarig bestaan van het jeugdkoor Lyrica o.l.v. Jos Venken, is dan weer een afwisseling van imitatieve en homofone of unisono-passages. Het geheel is doordrenkt met tonaal materiaal (met een einde in mi groot) maar de toevoeging van meer gedurfde dissonanten zorgt voor een expressieve compositie met af en toe een pittig ritme. Steegmans schuwt ook geen tekstexpressie. Voorbeelden hiervan zijn het rockritme op de woorden "rock, soul of beat" en de subtiele verwijzing naar Eine Kleine Nachtmusik wanneer de naam Mozart wordt vernoemd. Een van zijn grootste koorwerken is de cantate Bijbelse vrouwen (1997), geschreven voor het koor Schoonheid (nu Cantus Vocum) onder leiding van Leo van Nevel.
Voor dit zevendelige werk ging Steegmans op zoek naar instrumenten uit het Oude Testament en koos daarom voor een houtblazerskwintet, een harp en pauken om het gemengd koor, de sopraan en de bariton te ondersteunen. De stijl van deze cantate is te plaatsen in de traditie van Vic Nees en alhoewel Steegmans niet echt naar vernieuwing zoekt, komen er in het werk toch enkele clusters voor, die echter slechts zo nu en dan als effect worden aangewend.
Daarenboven schreef de componist ook heel wat lichtere muziek waarvoor de inspiratie werd gehaald uit de jazzmuziek (zoals de Bluesette-variatie, naar de bekende melodie van Jean "Toots" Thielemans) en uit de salonmuziek. Steegmans omschrijft deze composities, die beïnvloed werden door het werk van Ravel, als "fijne, charmante, pretentieloze muziek om van te genieten". Zo is er de Wals in G voor piano en orkest die alleen al door zijn duidelijke toonaard zeer toegankelijk aandoet. Het geheel is volledig doordrongen van een romantische sfeer; de voor Steegmans altijd zo belangrijke melodie is zeer lyrisch en de piano draagt door zijn impressionistisch getinte klanken bij tot de elegante sfeer van de compositie. Het veelvuldig gebruik van een hemioolritme vormt een constante doorheen zijn walscomposities.
De Inventie voor viool, klarinet en piano (met contrabas ad libitum) vindt zijn oorsprong dan weer onmiskenbaar in de jazzmuziek (vooral door het gebruik van jazzharmonieën) en in zekere zin ook in de barokmuziek. Zo doen de beginnoten van de compositie (waaruit het werk voortvloeit) denken aan een inventie van Bach en worden in de compositie Bach-achtige cadensen aangewend. De beginnoten worden eerst herhaald, dan gevarieerd waarna contrapuntische dialogen ontstaan. Deze invloed van lichte muziek vloeide voort uit een duo dat de componist rond 1980 vormde met vibrafonist Ludo Claesen. De meeste composities in deze stijl dateren uit die periode (1980-1985); later zou hij deze stijl niet meer gebruiken, tenzij in een aantal bewerkingen. Ongeveer het laatste werk in deze stijl heeft als titel Met Bach op de koffie, en is geconcipieerd als een reeks variaties op Bach's beroemde menuet in G. Steegmans zal met deze lichte composities echter nooit in het vaarwater komen van zijn andere werken; hij blijft ze beschouwen als twee aparte genres.
Het meest recente werk van Steegmans is het eerder aangehaalde oratorium Stad en vrede dat begin september 2003 gecreëerd wordt door meer dan tweehonderd uitvoerders. De componist gebruikte naast speciaal geschreven teksten van Geldof ook oude Hasseltse teksten uit de zestiende eeuw en teksten van Anton van Wilderode. In deze compositie zijn zowel historische, folkloristische, religieuze als actuele elementen terug te vinden. Het werk begint met een impressie van de stad en hoe de mensen daarin samenleven, maar de inhoud wordt dan uitgebreid naar de hele wereld, waarvan onder andere de problematiek van honger en oorlog wordt aangekaart.
Werklijst
- Solowerken: Scherzo voor piano; Prelude voor gitaar (1994); Suite voor orgel
- Liederen: Ontbijt (1998); Ave Maria; Uit zeven beesten (1999)
- Koorwerken: Lief laat op uw schoon gelaat; Weesgegroet; Avond; Psalm 84 (1990); Voor een gestorven moeder (1996); Psalm 8 (1998); Waar blijven de noten (2000); Canciones de amor (2001)
- Kamermuziek: Concertstuk voor trombone en orgel (1987); Elegie en scherzo (1993); Zes sacrale dansen voor 2 piano's (1996); Fantasie op Hasseltse volksliederen (1999); Concerto voor 2 piano's en strijkorkest (2000)
- Orkest: Psalm 8 (1992); Vlaamse ouverture voor symfonieorkest (1995); De groene boelvaar (1999)
- Lichtere muziek: Stagecoach (1980); Sweet Valley: 5 stukken voor vibrafoon en piano (1983)
- Bewerkingen: In 't stedetje van Nazareth; Cascades, Twee Marialiederen, Zes internationale volksliederen
Bibliografie
Niet beschikbaar
Discografie
- Weesgegroet en Psalm 84, ANTON BRUCKNER AND FLEMISH SACRED MUSIC, Aurophon
- Fantasie-impromptu voor piano, 12 Chopin-variaties, VLAMINGEN HULDIGEN CHOPIN, Nikki
- A PORTRAIT OF PAUL STEEGMANS, Nikki
Uitgever
Niet beschikbaar
Links
http://www.geocities.com/paulsteegmans
Coordinates
paulsteegmans [at] elbosigns [dot] com
©2003 Peter Bovens, voor MATRIX








