Vanheertum Stefaan (1956)
Stefaan Vanheertum werd geboren op 23 oktober 1956 te Gent. Hij was vanaf jonge leeftijd actief in verschillende koren, waaronder Schola Cantorum te Gent en Rundadinella (o.l.v. Florian Heyerick). Tegenwoordig is hij verbonden aan het koor Vivente Voce (o.l.v. Philippe Benoit). Hij studeerde altblokfluit, piano en altsax, en volgde lessen in harmonie, muziektheorie en –geschiedenis aan de muziekacademie van Gentbrugge. Na zijn Middelbare studies studeerde hij scheikunde aan de Rijksuniversiteit Gent, waarna hij in december 1982 een doctoraat in de wetenschappen behaalde. In 1983 startte hij met zijn studies muziektheorie en harmonie aan het Gentse muziekconservatorium (bij Norbert Godaer), welke hij wegens wersituatie vroegtijdig moest stopzetten. Momenteel is hij werkzaam als European area sales manager voor een vooraanstaand petrochemisch bedrijf.
Wat compositie en instrumentatie betreft is Vanheertum een autodidact. Componeren is niet zijn beroep maar neemt wel het grootste deel van zijn vrije tijd in beslag. De componist ziet dit als een voordeel. Deze situatie creëert volgens hem een onafhankelijkheid, waardoor zijn vrijheid is gegarandeerd. Vanheertum organiseerde in februari 1995 en januari 1998 zelf twee concerten, die volledig waren gewijd aan de wereldpremières van zijn eigen werk. De componist is bevriend met verschillende professionele muzikanten aan wie hij vaak zijn composities opdraagt. Het waren ook deze muzikanten die zijn composities in 1995 en 1998 creëerden. Vanheertum is lid van de componistenverenigingen SABAM, UBC en ComAV.
Werkbespreking
Vanaf 1986 componeert Vanheertum op regelmatige basis. Daarvoor had hij reeds, naast enkele probeersels, zijn Vijf studies voor altblokfluit (1978-79) geschreven.
Vanheertum componeert vooral liederen en kamermuziek. Zijn eerste liederen (Orphélie (1986), Vier liederen voor hoge stem en piano (1986-1988) en Drie a capella koorliederen (1988)), de pianosonate Le p’tit cheval de Neptune (1990), alsook zijn Vijf studies voor altblokfluit zijn geschreven in een romantische toonspraak, die gebaseerd is op tonale harmonie. Mede onder impuls van zijn contacten met Raoul De Smet laat hij deze schrijfwijze vanaf 1990 achter zich.
Sindsdien componeert Vanheertum ook niet meer aan de piano. Hij ging op zoek naar een systeem om als uitgangspunt te gebruiken en begon zo te experimenteren met dodecafone compositietechnieken. Dit resulteert in een reeks van vier sonates die tussen 1991 en 1994 ontstaan. Op die manier kreeg hij de nieuw aangewende technieken onder de knie. In 1995 slaagt de componist erin, met behulp van zijn nieuwe schrijfwijze, een muzikale boog te creëren in langere composities en schrijft hij zijn eerste strijkkwartet. In 2000 en 2002 volgen er nog twee. In opdracht van de Orpheuswedstrijd schrijft hij in 1999 de Milleniumsonate, voor twee piano’s. Ook na 1990 schrijft Vanheertum nog liederen. Le Canari et la Cerise (2000), gebaseerd op de gelijknamige dichtbundel van Paul Neuyhuys, en Tien Engelstalige liefdesliederen voor tenor of sopraan en piano (1995) zijn daar voorbeelden van. Naast werken voor kleine bezetting componeert Vanheertum 3 werken voor orkest: Conserto voor piano en orkest (1998); De Nebling Suite voor hobo en strijkorkest (1998) en 9h02min07sec voor strijkkwartet en strijkorkest (2002).
Alle werken van na 1990 zijn gebaseerd op, wat Vanheertum noemt, een mild serialisme. Hij maakt gebruik van toonhoogtereeksen. De verschillende transposities van de reeks zelf en die van de kreeft, de omkering en de kreeft van de omkering van de betreffende reeks vormen altijd het fundament van de composities. Hieruit gaat hij, niet altijd even strikt, thema's en motieven destilleren. De andere parameters worden niet reeksmatig, maar eerder traditioneel behandeld. Het ritme, de articulatie en de dynamiek worden aldus vrij door de componist gekozen. Dit doet hij omdat hij veel belang hecht aan de toegankelijkheid van zijn muziek, voor zowel toehoorder als uitvoerder. Vanheertum zet zich zo ook af tegen het te ingewikkelde en extravagante in de muziekcultuur. Vroeger liet hij ruimte voor de interpretatie van de uitvoerders op gebied van dynamiek en articulatie, en hij schreef zelfs meermaals in een vrij ritme. Hier is hij ondertussen op teruggekomen.
Vanheertum laat de aard van zijn toonhoogtereeksen ook afhangen van de compositie. Zo gebruikt hij enkel voor zijn strikt instrumentale werken twaalftonige reeksen. Voor liederen maakt hij meestal gebruik van kortere diatonische reeksen. Op die manier zijn ze gemakkelijker uitvoerbaar en klinken ze volgens hem toegankelijker.
Dit laatste verraadt reeds de invloed van het minimalisme. Dit is ook merkbaar in zijn Milleniumsonate, waarin hij tracht de zenuwachtigheid, die gepaard ging met komst van het nieuwe millenium, muzikaal tot uiting te brengen. Toch gebruikt Vanheertum het minimalisme op een zeer persoonlijke wijze. Hij gebruikt het compositiesysteem met andere woorden terug als uitgangspunt waarop hij zijn eigen variant gaat enten. Zo gaat hij niet strikt om met herhalingen en brengt hij variatie in het muzikale materiaal. Dit zorgt er bijvoorbeeld voor dat de Milleniumsonate niet erg minimalistisch klinkt. Het minimalisme is -zoals dat ook het geval was met het serialisme- slechts in de kiem aanwezig; het wordt als basis maar niet als doel gebruikt.
De teksten waar Vanheertum voor zijn liederen uit put zijn zeer divers: van de klassieke gedichten van Rilke, Verlaine, Byron en Moore, tot de absurd dadaïstische teksten van Paul Neuhuys. In elk van hen tracht hij de sfeer van de tekst in zijn muziek weer te geven. Voor andere composities vindt hij vaak inspiratie in de actualiteit of in het dagelijks leven. Dit bleek reeds in de opzet van de Milleniumsonate, en het stuk 9h02min07sec is opgedragen aan de slachtoffers de terreuraanslagen in de Verenigde Staten van elf september 2001.
Werklijst
- Liederen: Vier liederen op. 1 nr. 1 voor hoge stem en piano (1986-88); Orphélie op. 1 nr. 2 voor tenor en piano (1986); Drie a capella koorliederen op. 1 nr. 3 (1988); Bundel van tien Engelstalige liefdesliederen op. 3 nr. 2 voor tenor of sopraan en piano (1995); Twee liederen voor alt en piano op. 4 nr. 4 (1997); Le Canari et la Cerise op. 6 nr. 3, vijf liederen voor sopraan, tenor en piano (2000)
- Strijkkwartetten: Eerste strijkkwartet op. 3 nr. 1 (1995); Tweede strijkkwartet op. 6 nr. 2 (2000); Derde strijkkwartet op. 7 nr. 2 (2002)
- Sonates: Le p'tit cheval de Neptune (1990), pianosonate; Sonate op. 2 nr. 1 voor cello en piano (1991); Sonate op. 2 nr. 2 voor fluit en piano (1992); Sonate op. 2 nr. 3 voor viool en piano (1992); Sonate op. 2 nr. 4 voor altviool en piano (1994); Sonate op. 4 nr. 1 voor hobo en piano (1996); Perpetuum Mobile op. 4 nr. 2, triosonate voor fluit, viool en clavecimbel (1996); Gran Partita op. 4 nr. 3 voor dwarsfluit en piano (1997); Millenium op. 6 nr. 1, sonate voor twee piano's (1999)
- Andere kamermuziekwerken: Vijf studies voor altblokfluit (1978-1979); Suite voor drie altsaxen (1995)
- Orkestwerken: Concerto op. 5 nr. 1 voor piano en orkest (1998); De Nebling op. 5 nr. 2, suite voor hobo en strijkorkest (1998); 9h02min07sec op. 7 nr. 1 voor strijkorkest en strijkkwartet (2002)
Bibliografie
Niet beschikbaar
Discografie
Niet beschikbaar
Uitgever
Niet beschikbaar
Coordinates
Seypenstein 10, 9840 De Pinte
tel (09) 281 07 43
stefaan [dot] vanheertum [at] pandora [dot] be
©2005 Mattias Parent, voor MATRIX







