Verdin Joris (1952)

Joris Verdin wordt op 21 januari 1952 te Anderlecht geboren. Hij begint al vrij vroeg te componeren, maar is in de eerste plaats muzikant. Rond zijn 7 jaar kreeg hij zijn eerste pianolessen. Al snel kwam hij in contact met het orgel en het harmonium, wat later zijn grote passie zou worden. Op 21-jarige leeftijd ging hij orgel aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium Antwerpen en musicologie aan de KULeuven studeren. Vanuit deze achtergrond gaat hij zowel nieuwe muziek als oude (soms ook vergeten muziek) uitvoeren, wat van hem een zeldzaam muzikant maakt.
Aanvankelijk speelde hij vooral in het (free)jazz en pop/rock milieu op synthesizers en Fender-piano’s. Zo was hij bijvoorbeeld jarenlang vaste muzikant van Kris Debruyne. Deze invloeden zijn duidelijk in zijn eigen composities te merken.
Sinds enkele jaren doceert Joris Verdin orgel aan de Hogeschool te Antwerpen (Conservatorium) en muziekpraktijk aan de afdeling Musicologie van de Universiteit Leuven. In 2001 verdedigde hij voor de K.U.Leuven een doctoraat in de Musicologie over het harmonium.
Hiernaast is hij op uitvoerend vlak actief en geniet hij een internationale reputatie als organist en als specialist van de 19de eeuwse harmoniumliteratuur. Zo organiseerde het conservatorium van Antwerpen onder zijn leiding een harmoniumseminarie van 1990 tot 1998. Hij is tevens lid van de Académie Internationale d'Orgue de Rouen en medewerker van het Göteborg Organ Art Center in Zweden. Hij werd reeds als gastorganist en professor op verschillende Festivals en Masterclasses uitgenodgd: Les Andelys, Parijs, Keulen, het Séminaire d'orgue de Wallonie en Cuxhaven.
Zijn cd’s met muziek van de vroege renaissance tot nu zijn al vaak geprezen en o.a. al bekroond met de Evènement du mois (voor zijn opname van orgelwerken van C. Franck) door het tijdschrift Diapason. In 2002 werd hij ook festivalster bij het Festival van Vlaanderen en in 2001 ontving hij de jaarlijkse Ceciliaprijs van de Belgische Muziekpers.
Als componist experimenteerde hij al vanaf zijn 15de. Maar het was pas toen hij voor zijn eindexamen aan het conservatorium een eigen stuk speelde (Organetto) dat zijn eigenlijke compositiecarrière van start ging. Sindsdien heeft hij een 20-tal orgelwerken gecomponeerd, waarvan enkele in opdracht van het Lemmensinstituut, Musikon, het Conservatorium van Antwerpen en de Belgische radio.

Werkbespreking

Het oeuvre van Joris Verdin is niet gekenmerkt door extreme vernieuwing of experimentele technieken. Zijn composities zijn eerder een samengaan van de oude orgeltraditie met moderne technieken. De oude orgeltraditie was er een van de improvisatie, en dit element blijft centraal staan in Verdins werk. Het klankresultaat en het plezier van het spelen primeren bij al zijn composities. Het compositieproces start bij Verdin dan ook aan het orgel zelf. Vertrekkend vanuit een muzikaal idee, improviseert hij verder tot een afgewerkte versie die klaar is om genoteerd te worden.
Daarom zijn zijn werken altijd vrij overzichtelijk en herkenbaar, zonder ingewikkelde structuurprincipes die hij op voorhand uitdenkt. De rock- en jazzachtergrond van Joris Verdin spelen bij deze improvisatietechnieken – zoals reeds aangehaald – een belangrijke rol.

Een van zijn eerste composities Partita super Christus resurrexit voor orgel uit 1987 werd geschreven in opdracht van het Lemmensinstituut. Dit werk wordt ook vaak uitgevoerd in een elektronische versie voor tape en synthesizer. De titel Partita slaat op het feit dat de compositie opgebouwd is als een variatiereeks. Deze variatiereeks is gebaseerd op het Christus Resurrexit thema, dat in het begin als een cantus firmus gepresenteerd wordt. Hierna blijft het thema de hele tijd aanwezig, soms omspeeld en verspringend naar de verschillende stemmen. Hoewel de compositie gebaseerd is op een eeuwenoud principe, komen er toch zeker een aantal vernieuwende technieken in voor. Vooral het verspringen in octaven, en het spelen met halfopengetrokken registers, wat een zwevend effect geeft, het gebruik van clusters en de verspringende pedaalsolo’s zorgen voor een moderne, nooit eerder gehoorde orgelklank. Het modaal-tonale karakter van het werk, wat vooral meegegeven wordt door het modale Christus Resurrexit-thema, leunt ook zeker aan bij de pop/free-jazz klank, net als de fade-out op het einde van de compositie.

Ook in de compositie Codex uit 1987, aanvankelijk geschreven voor klavecimbel, vermengt hij de oude orgeltraditie met moderne elementen. Hij baseert zich hier, zoals de titel ook doet vermoeden, op de 14de eeuwse Italiaanse orgelbron Codex Faenza. Typerend zijn de ritmische figuren in het werk, bestaande uit een achtste, twee zestienden en een achtste, die ook veelvuldig gebruikt werden in de oude orgelbron. Na een rustige inleiding (exordium), volgt een middendeel (medium) waarin die ritmische patronen de melodie beheersen. Toch wordt deze stijl doorbroken door een alsmaar groeiend tussenspel dat die serene sfeer van het eerste deel wil doorbreken. Het deel eindigt dan ook in een virtuoze passage, helemaal niet meer in de 14de eeuwse stijl. Deze tussenspelen kunnen gezien worden als flarden van de 20ste eeuw die zich een weg banen doorheen de aloude orgelstijl.
In de jaren ’90 heeft Verdin dit werk meermaals bewerkt, onder andere in Codex un poco Faënza (1995) en in Codex II non Faenza sopra LA FA FA MI (1996).
Uiteindelijk werd er hier niet zoveel in veranderd. De aanvankelijk improvisatie-achtige delen in Codex werden nu in het werk van 1995 bijvoorbeeld vervangen door een motivische passage, die zich doorheen het stuk zou herhalen als een motto. Qua componeertechnieken of structuurprincipe is er niet veel veranderd.
Scordatura nr. 2 uit 1988 is een kort werkje, waar het orgel of het klavecimbel, zoals in de scordatura-techniek bij een viool, telkens twee tonen gelijk zal stemmen om zo snellere toonherhalingen te kunnen spelen. Hier worden mi en fa gelijkgestemd tot mi, en re en re kruis tot re. Het effect van de toonherhaling domineert het hele stuk, waardoor je een uiteindelijk klankresultaat bekomt dat doet denken aan minimal music. Dit repetitieve klankresultaat komt trouwens vaak voor bij het werk van Verdin, terwijl dit eigenlijk helemaal geen bewuste invloed is.
Gelijkaardig met Partita super Christus resurrexit, is Solmisatio uit 1987 ook gebaseerd op eenzelfde thema dat doorheen het stuk omspeeld en gevarieerd wordt.
Solmisatio is geschreven voor orgel en sopraan, maar aangezien de sopraanpartij vrij moeilijk is, wordt deze vaak door een fagot vervangen. De tekst van de sopraan wordt gevormd door de Latijnse namen van de noten, wat de titel dan ook verklaart.
De basis van het stuk is vrij traditioneel. Zo is het thema bijvoorbeeld als een periode opgebouwd, en komt er op het einde van de compositie een chromatische lamento-bas, in de stijl van het ricercar. Hiernaast zijn de snelle afwisselingen tussen de verschillende manualen in het begin dan weer een modern element, dat meer doet denken aan de synthesizermuziek, wat ook de bedoeling was van Verdin. Het thema dat hier verwerkt werd, bestond aanvankelijk trouwens in een rockversie.
Het meer recente werk Batalla de quinto tono dateert uit 2006. Dit werk, oorspronkelijk voor orgel solo bedoeld, wordt vaak uitgevoerd met toevoeging van electronica. Het aloude concept van een batalla komt hier tot uiting door de herhaaldelijke ritmische patronen die doen denken aan een strijd. Toch worden naast deze oude patronen langzamerhand postmoderne geluiden toegevoegd die de overhand zullen nemen naarmate het stuk vordert. Dit principe werd al eens aangewend in het werk Codex. Batalla bestaat uit 10 delen, waaronder een aantal toccata’s en batalla’s, omkaderd door een inleiding en een coda. De speeltechnieken zijn hier over het algemeen ook vrij klassiek.

Er is geen echte grote evolutie aanwezig in het oeuvre van Joris Verdin. Toch kan gezegd worden dat zijn composities langzaam maar zeker traditioneler worden. Zo was zijn eerste compositie Organetto, gecomponeerd voor zijn eindexamen orgel, nog vrij avant-gardistisch. Hij maakte er gebruik van een aantal experimentele technieken. Deze stijl heeft Verdin achter zich gelaten. Tegenwoordig gebruikt hij vooral het tonaal-modale toonsysteem als basis voor zijn composities.

Werklijst

- Orgelmuziek: Organetto (1982); Partita super Christus resurrexit (1987); T per O (1985); Pièce Légère (1986); A Capella (1987); Solmisatio, soprano e organo 2a versione Fagotto e organo (1987); Codex (1987); Scordatura nr.2 (1988); PLOTS/Z (1989); Fantasia, organ and strings (1988); Walsje, title music for TV series Sanseveria (1990 - 1997); Sarabande, slow waltz for organ (1987); Codex un poco Faënza (1995); Codex II non Faenza sopra LA FA FA MI (1996); Air Varié sur les Jeux de Fonds (1997); Affettuoso (1998);Batalla de quinto tono (2005)

Bibliografie

- Levaux, Th. (red.), ‘Verdin Joris’, in: DCB, Ohain-Lasne, 2006, p. 679
- Vandenhouwe, J., ‘Over dode Harmoniums en springlevende Orgels’, in Muziek & Woord, jg. 28,  september 2002, p. 10-11

Discografie

- Organ works; L’ORGUE CONTEMPORAIN II (Joris Verdin), Ricercar 233442, 1998
- FOUR CENTURIES OF BELGIAN ORGAN MUSIC (Jean Ferrard), Cypres 7507

Uitgever

Niet beschikbaar

Links

http://www.jorisverdin.com

Coordinates

tel (010) 86 69 82
joris [dot] verdin [at] skynet [dot] be


©MATRIX
Teksten van Liesbeth Van Meulder
Laatste aanpassingen: 2007

Nieuws

Studiedag Nieuwe Muziek Educatie

Studiedag Nieuwe Muziekeducatie

in het kader van de ISCM World Music Days

meer lezen

Blazers gezocht!

Blazers allerhande, dit is een project voor jullie!

In oktober organiseren we een bijzonder concert voor TRANSIT, festival voor nieuwe muziek in Leuven.
Tijdens dit project krijgen blazers jong en oud de kans om nauw samen te werken met een componist, om tijdens een aantal intensieve repetities samen te musiceren, en als klap op de vuurpijl krijg je de kans om op een internationaal hoog aangeschreven festival een concert te spelen!

meer lezen

Achter de muziek aan

Enkele weken geleden verscheen Achter de muziek aan: muzikaal erfgoed in Vlaanderen en Nederland. Deze publicatie kwam tot stand onder impuls van Resonant, het Nederlands Muziekinstituut en FARO.

meer lezen

MATRIX publiceert Flemish Tape Music since 1950

Zopas verscheen het zesde volume van onze reeks Contemporary Music in Flanders, dit keer gewijd aan tapemuziek uit Vlaanderen.
De publicatie omvat o.a. een uitgebreid historisch essay, korte artikels omtrent tapecomposities van P. Adriaenssens, P. Beyls, J. De Laet, L. De Meester, L. Goethals, K. Goeyvaerts, K. Lauwers, S. Verstockt en D. Veulemans, en een CD.

Contemporary Music in Flanders VI: Flemish Tape Music since 1950
Incl. CD Uitg. dr.

meer lezen

Grand Perspective op TRANSIT

In samenwerking met TRANSIT organiseren we naar jaarlijkse gewoonte een project voor amateurmusici. Een uitgelezen kans voor jonge muzikanten om actief kennis te maken met nieuwe muziek!
Dit jaar is Benjamin Van Esser onze ‘componist in residentie’.

meer lezen
Syndicate content