Skip to content

GOEYVAERTS Karel (1923-1993)

Karel Goeyvaerts werd geboren op 8 juni 1923 te Antwerpen, en overleed er op 3 februari 1993. Van 1943 tot 1947 studeerde hij piano, harmonie, contrapunt, fuga, compositie en muziekgeschiedenis aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium van Antwerpen. Daarna studeerde hij tot 1950 aan het ‘Conservatoire National’ te Parijs, waar hij compositie volgde bij Darius Milhaud en analyse bij Olivier Messiaen, en waar hij zich bekwaamde in het bespelen van de ‘Ondes Martenot’ bij de uitvinder van dit instrument, Maurice Martenot.

Vooral Messiaen liet een grote indruk na op de jonge Goeyvaerts. Zo kan de in 1950-51 geschreven Sonate voor 2 piano’s gezien worden als een synthese van bepaalde ideeën van Messiaen en van Weberns toepassing van de dodecafonie, waarvan Goeyvaerts minutieuze analyses maakte. Deze sonate had een diepgaande invloed op de jonge generatie avant-gardisten, in het bijzonder op Karlheinz Stockhausen. Getuigen daarvan zijn de vele persoonlijke en muzikale verbanden tussen beide componisten en hun uitvoerige briefwisseling, die in 2017 gebundeld werd door Mark Delaere en Imke Misch. Stockhausen nam in een aantal composities de basisidee van de Sonate haast letterlijk over (o.a. Kreuzspiel). In 1953 realiseerden Goeyvaerts en Stockhausen tezamen met enkele andere componisten voor het eerst muziek die geproduceerd werd via elektronische generatoren (in de studio’s van de WDR te Keulen).

In 1957 trok Goeyvaerts zich tijdelijk uit het muziekleven terug, hoewel hij bleef componeren. In 1970 werd hij door de Belgische Radio en Televisie (BRT) aangesteld als producer bij het Instituut voor Psycho-acoustica en Elektronische Muziek (IPEM) te Gent. Na enkele jaren werd hij dan verantwoordelijke producer voor Nieuwe Muziek bij Radio 3 te Brussel. In juni 1985 werd hij verkozen tot Voorzitter van de Internationale Componisten Tribune, een prestigieuze en actieve vereniging die onder de Internationale Muziekraad van de UNESCO ressorteert. Karel Goeyvaerts was lid van de Koninklijke Akademie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België. In 1992 werd Goeyvaerts nog benoemd tot eerste titularis van de KBC-leerstoel Nieuwe Muziek van de afdeling Musicologie aan de K.U.Leuven. Tot zijn opdracht behoorde het doceren van een college voor de licentie-studenten Musicologie en het schrijven van een compositie. De compositie Alba per Alban die hij in het kader van deze leerstoel aan het schrijven was, bleef door Goeyvaerts’ onverwacht overlijden op 3 februari 1993 onvoltooid.

 

Werkbespreking

In de analyseklas van Olivier Messiaen had Goeyvaerts in sneltempo de verwezenlijkingen van de nieuwe muziek sinds 1910 geassimileerd. Voor zijn eigen compositorische praktijk zag Goeyvaerts vooral mogelijkheden in Messiaens ritmische innovaties en in Anton Weberns structuralistische toepassing van de dodecafonie. In deze compositietechniek worden de twaalf tonen van het octaaf in een reeks geordend die dan de structurele basis (de grammatica) van een compositie vormt. Webern had dit reeksprincipe zodanig geperfectioneerd dat zowel de muzikale inhoud als de muzikale vorm rechtstreeks uit de oorspronkelijke reeks of serie voortvloeiden. Karel Goeyvaerts zou er als eerste in de muziekgeschiedenis in slagen om dit reeksprincipe niet alleen op toonhoogte toe te passen, maar ook op ritme (toonduur), klanksterkte en articulatie. Zijn Tweede vioolconcerto (voltooid op 12 januari 1951) en zijn Nummer 1 Sonate voor twee piano’s (winter 1950-1951) zijn evenwel nog duidelijk overgangswerken waarin de componist absolute structurele zuiverheid ambieert, maar nog niet realiseert. In het eerste geval lopen de seriële intenties spaak op de eisen van het genre: een serieel concerto schrijven is om moeilijkheden vragen. In het tweede geval steekt de traditionele schrijfwijze van de delen 1 en 4 schril af tegen de seriële puurheid van de middendelen. In tegenstelling tot de gangbare mening kan daarom slechts het in augustus-september 1951 geschreven Nummer 2 voor dertien instrumentenals de eerste integraal seriële compositie uit de muziekgeschiedenis beschouwd worden.

Goeyvaerts zette ook als één van de eersten de stap naar de elektronische muziek, waardoor hij zowel de compositie als de ‘uitvoering’ (via toonband) nog sterker kon disciplineren. Nummer 4 met dode tonen (december 1952) brengt deze primeur: het is de eerste partituur bestemd voor zuiver elektronische realisatie. Ook de ondertitel van Nummer 5 (“met zuivere tonen”) spreekt boekdelen: de abstracte klankenstructuur ademt zowel technisch als esthetisch een volmaakte puurheid uit.

Vanaf de jaren ’60 zou Goeyvaerts niet meer in dezelfde mate aan de basis liggen van de ingrijpende veranderingen in de nieuwe muziek, maar hij zou die veranderingen wel op de voet blijven volgen. Goeyvaerts’ experimentele, aleatorische, repetitieve en neo-tonale werken uit de jaren 1960-1993 kunnen dan ook begrepen worden als pogingen om de internationale ontwikkelingen in de nieuwe muziek op hun bruikbaarheid voor de persoonlijke compositorische intenties te onderzoeken. Ondanks de meest diverse stilistische en compositietechnische verschijningsvormen blijken deze werken inderdaad merkwaardig homogeen te zijn. Een goed voorbeeld in dat opzicht is het Stuk voor piano en tape uit 1964. In dit werk worden alle mogelijke relaties tussen een starre toonband en een live uit te voeren pianopartij systematisch onderzocht. De gelijkmatige spreiding van deze mogelijkheden rond een centrale as herinnert aan de seriële procedures in Goeyvaerts’ werken uit de jaren ’50. Ook de repetitieve muziek ontsnapte niet aan Goeyvaerts’ aandacht. De vijf Litanieën die hij tussen 1979 en 1982 in deze techniek schreef, vormen ongetwijfeld het hoogtepunt van deze werkgroep. De versobering en reductie van de middelen die eigen zijn aan deze ‘minimal music’ zette zich bij Goeyvaerts ook op esthetisch vlak door. Zo recupereerde hij bijvoorbeeld vanaf de jaren ’80 de expressieve intenties en tonale technieken die kenmerkend zijn voor de neo-romantiek.

In zijn opus ultimum, de grootschalige opera Aquarius (1983-93), vloeit dit allemaal samen. De vocale bezetting telt acht sopranen en acht baritons die slechts collectief worden ingezet. Er is een orkest, er is een vage apocalyptisch-astrologische thematiek (de groei naar een meer harmonische maatschappijvorm) maar voor de rest zijn er geen personages, geen echt libretto, geen semantisch-verstaanbare tekst. Slechts via een omweg komen we Goeyvaerts’ visie op de enscenering van Aquarius te weten: uit zijn briefwisseling met een beeldend kunstenaar blijkt dat de componist een niet-symbolische en geometrisch-abstracte visualisering voor ogen stond. Hieruit kunnen we twee conclusies trekken: Goeyvaerts is ondanks de vele stijlbreuken en schijnbaar restauratieve bewegingen tot op het einde van zijn leven een vernieuwend kunstenaar gebleven, en de hang naar abstractie heeft Goeyvaerts sinds de streng-seriële muziek uit de jaren ’50 nooit losgelaten. Ook op muzikaal vlak is dit te merken. Goeyvaerts’ specifieke toepassing van de neo-tonaliteit, een techniek die in principe diametraal tegenover het serialisme staat, is bijvoorbeeld ondenkbaar zonder de seriële loutering van de jaren ’50. Het strijkkwartet De Zeven Zegels(1986), dat tegelijkertijd de basismuziek levert voor de finale van de opera, vormt hiervan een sprekend bewijs. Er zijn weliswaar zeven tooncentra die door een grote drieklank gestabiliseerd worden, maar voor de rest wordt het toonhoogtemateriaal distributief behandeld. Dit betekent dat de tonen uitwisselbaar in horizontale combinatie (als opeenvolging) en in verticale combinatie (als samenklank) kunnen worden benut. Deze bij uitstek seriële procedure staat mijlenver af van de tonale praktijk. Verder vallen micro- en macrostructuur samen in De Zeven Zegels: de vorm is uniek en vloeit voort uit keuze en samenstelling van het toonmateriaal. De cirkelstructuur, de symmetrische opbouw rond een centrale as en de getalsymboliek zorgen er tenslotte voor dat dit werk het “zijn van de tijd” verbeeldt, een compositorische fetisj die Goeyvaerts sinds de vroege jaren ’50 obsedeert.

Bij nader toezien blijken de opeenvolgende stilistische zwenkingen dus slechts oppervlakkige gedaanteverwisselingen te zijn, waarachter een merkwaardig homogeen compositorisch oeuvre schuilgaat.

 

Werklijst

Orkest: Tweede vioolconcerto (1951); Zomerspelen (1961); Al naar gelang (1971); Litanie III (1980); Aquarius (symfonische versie) (1991)

Ensemble: Tre Lieder per sonar a venti-sei (1949); Nr. 2 vcor 13 instrumenten (1951); Nummer 3 met gestreken en geslagen tonen (1952); Nr. 6 met 180 klankvoorwerpen (1954); Pour que les fruits mûrissent cet été (1975); Erst das Gesicht… (1978); Zum Wassermann (1984); Avontuur (1985); De Heilige Stad (1986); Das Haar (1990)

Opera: Aquarius (LEre du verseau) (1983-93)

Vocaal-instrumentaal: Elegische muziek (1950); Mis voor Paus Johannes XXIII (1968); Bélise dans un jardin (1972); Litanie IV (1981); De Stemmen van de Waterman (1985)

Koor: Mon doux pilote s’endort aussi (1976)

Kamermuziek: Nr. 1. Sonate voor 2 piano’s (1951); Ach Golgatha! (1975); Litanie II (1980); Aemstel Kwartet (1985); De Zeven Zegels (1986); Voor Strijkkwartet (1992)

Piano: Litanie I (1979); Pas à Pas (1985)

Tape: Nr. 4 met dode tonen (1952); Nr. 5 met zuivere tonen (1953); Nr. 7 met convergerende en divergerende niveaus (1955); Nachklänge aus dem Theater I-II (1972)

Instrument(en) plus tape: Stuk voor piano en tape (1964); Pianokwartet (1972); You’ll never be alone anymore (1975); Litanie V (1982)

Een uitgebreide werkenlijst vindt u hier.

 

Bibliografie

– M. BEIRENS, The identity of European minimal music as reflected in the works of Louis Andriessen, Karel Goeyvaerts, Gavin Bryars and Michael Nyman: a music-analytical study, Diss. Doct. K.U. Leuven, 2005
– P. DECROUPET en E. UNGEHEUER, Karel Goeyvaerts und die serielle Tonbandmusik, in Belgisch Tijdschrift voor Muziekwetenschap, thema-nummer ed. M. DELAERE, The Artistic Legacy of Karel Goeyvaerts, 48, 1994, p. 95-118
– M. DELAERE (ed.),The artistic legacy of K. Goeyvaerts. A collection of essays, thematic issue of Belgisch Tijdschrift voor Muziekwetenschap, 48, 1994
– M. DELAERE, Namen werden hier zu Menschen. Zur Frühgeschichte der Darmstädter Ferienkurse. Zwei unveröffentlichte Briefe von K. Goeyvaerts, in MusikTexte. Zeitschrift für neue Musik, 54, 1994, p. 29-30
– M. DELAERE, Sonate voor 2 piano’s van K. Goeyvaerts, in Muziek en Woord, mei 1994, p. 41-42
– M. DELAERE en J. D’HOE, Structural Aspects of New Tonality in Goeyvaerts’ String Quartet “The Seven Seals”, in Belgisch Tijdschrift voor Muziekwetenschap, thema-nummer ed. M. DELAERE, The Artistic Legacy of Karel Goeyvaerts, 48, 1994, p. 133-150
– M. DELAERE, The Projection in Time and Space of a Basic Idea Generating Structure, in Belgisch Tijdschrift voor Muziekwetenschap, thema-nummer ed. M. DELAERE,The Artistic Legacy of Karel Goeyvaerts, 48, 1994, p. 11-14
– M. DELAERE (ed.) Karel Goeyvaerts: Paris-Darmstadt 1947-1955. Excerpt from the Autobiographical Portrait, in Belgisch Tijdschrift voor Muziekwetenschap, thema-nummer ed. M. DELAERE, The Artistic Legacy of Karel Goeyvaerts, 48, 1994, p. 35-54
– M. DELAERE, Goeyvaerts-Feldman. Over sacraliteit in een geseculariseerde samenleving, in Muziek en Woord, november 1995, p. 23-26
– M. DELAERE, A Pioneer of Serial, Electronic and Minimal Music. The Belgian Composer K. Goeyvaerts, in Tempo. A Quarterly Review for New Music, 195, 1996, p. 2-5
– M. DELAERE en D. VERSTRAETE, Het Goeyvaerts-fonds in de Centrale Bibliotheek K.U.Leuven. Inleiding en Catalogus, in Musica Antiqua, 13, 1, 1996, p. 28-32
– M. DELAERE, Y. KNOCKAERT en H. SABBE, Nieuwe Muziek in Vlaanderen, Brugge (Stichting Kunstboek), 1998
– M. DELAERE, D. VERSTRAETE, E. SIMOENS en J. CHRISTIAENS, Catalogus K. Goeyvaerts-archief, New Music Research Centre K. Goeyvaerts, Universiteitsarchief K.U.Leuven, 1998, 45pp. (typoscript en website)
– M. DELAERE, Very abstract Music. Karel Goeyvaerts and the Internationalisation of New Music in Flanders, in The Low Countries. Arts and Society in Flanders and the Netherlands. A Yearbook, Rekkem, 1998, p. 294-296
– M. DELAERE, art. Karel Goeyvaerts, in I. ALLIHN (ed.), Kammermusikführer, Stuttgart-Kassel, 1998, p. 224-228
-M. DELAERE, Das Analyseseminar Olivier Messiaens und die Entwicklung der seriellen Musik, in Chr. M. SCHMIDT e.a., in Musikwissenschaft zwischen Kunst, Ästhetik und Experiment. Festschrift Helga de la Motte-Haber zum 60. Geburtstag, Würzburg, 1998, p. 89-104
– M. DELAERE, Auf der Suche nach serieller Stimmigkeit. Goeyvaerts’ Weg zur Komposition Nr. 2, in O. FINNENDAHL (ed.), Die Anfänge der seriellen Musik (Kontexte. Beiträge zur zeitgenössischen Musik, 1), Hofheim (Wolke Verlag), 1998, p. 13-36
– M. DELAERE, J. LYSENS en Chr. WAUTERS, Karel Goeyvaerts’ Litany V for Harpsichord and Tape or for Several Harpsichords: an Analysis, in Contemporary Music Review, 19, 4, 2000, p. 117-128
– M. DELAERE, Karel Goeyvaerts en de nieuwe muziek in België sinds 1950, in L. GRIJP e.a., Een muziekgeschiedenis der Nederlanden, Amsterdam University Press, verschijnt in 2001
– M. DELAERE, art. Karel Goeyvaerts, in S. SADIE (ed.) The New Grove Dictionary of Music and Musicians, 2de uitg., verschijnt in 2001
– M. DELAERE (ed.), Karel Goeyvaerts : Selbstlose Musik: Texte, Briefe, Gespräche, Keulen, 2010
– M. DELAERE en I. MISCH, (ed.) Karel Goeyvaerts – Karlheinz Stockhausen: Correspondence 1951-1958, Kürten, 2017
– K. GOEYVAERTS, Das elektronische Klangmaterial, in die Reihe, 1, 1955, p. 16
– K. GOEYVAERTS, Een zelfportret, Gent, 1988
– J. LYSENS en D. von VOLBORTH-DANYS, Karel Goeyvaerts: A Chronological Survey of Works, in Belgisch Tijdschrift voor Muziekwetenschap, thema-nummer ed. M. DELAERE, The Artistic Legacy of Karel Goeyvaerts, 48, 1994, p. 15-34
– R. POLS, The Time is Near… Karel Goeyvaerts’ Apocalyptic Utopia in his Opera “Aquarius”, in Belgisch Tijdschrift voor Muziekwetenschap, thema-nummer ed. M. DELAERE, The Artistic Legacy of Karel Goeyvaerts, 48, 1994, p. 151-172
– H. SABBE, Het muzikale serialisme als techniek en als denkmethode, Gent, 1977
– H. SABBE, …wie die Zeit verging…, (Musik-Konzepte, 19), Munchen, 1981
– H. SABBE, Vom Serialismus zum Minimalismus. Der Werdegang eines Manierismus. Der Fall Goeyvaerts, “Minimalist avant la lettre”, in Neuland. Ansätze zur Musik der Gegenwart, ed. H. HENCK, 3, Keulen, 1982-83, p. 203-208
– H. SABBE, Goeyvaerts and the Beginnings of “Punctual” Serialism and Electronic Music, in Belgisch Tijdschrift voor Muziekwetenschap, thema-nummer ed. M. DELAERE, The Artistic Legacy of Karel Goeyvaerts, 48, 1994, p. 55-94
– R. TOOP, Messiaen/Goeyvaerts, Fano/Stockhausen, Boulez, in Perspectives of New Music, 13, 1, 1974, p. 141-169
– D. VERSTRAETE, Staging the Ideal Society. Goeyvaerts’ Conception of the Visual Aspect in “Aquarius”, in Belgisch Tijdschrift voor Muziekwetenschap, thema-nummer ed. M. DELAERE, The Artistic Legacy of Karel Goeyvaerts, 48, 1994, p. 173-192
– W. VERVLOET, Transformatietechnieken in een repetitief werk: een analyse van Karel Goeyvaerts’ “Pas à Pas”, in Belgisch Tijdschrift voor Muziekwetenschap, thema-nummer ed. M. DELAERE, The Artistic Legacy of Karel Goeyvaerts, 48, 1994, p. 119-132

 

Discografie

– CHAMP D’ACTION PLAYS K. GOEYVAERTS, Megadisc MDC 7877
– LITANIES, Megadisc MDC 7872/73
– STRING QUARTETS (Quatuor Danel), Megadisc MDC 7853
– WORKS FOR PIANO (Jan Michiels), Megadisc MDC 7848
– AQUARIUS (16 vocal soloists, Royal Philharmonic Orchestra of Flanders, G. Llewelyn), Megadisc MDC7850/51
– THE SERIAL WORKS (Champ d’Action), Megadisc MDC 7845
– WORKS 1959-1985 (Various ensembles), Megadisc 7829/30

 

Uitgever

Donemus
CeBeDeM (werkzaam van 1951 tot 2015)

 

Links

Karel Goeyvaerts-archief KU Leuven

 

 

©MATRIX
Teksten van Mark Delaere
Laatste aanpassingen: 2017

Schrijf je in op onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte!