Skip to content

KNOCKAERT Yves (1954)

Yves Knockaert werd op 11 april 1954 geboren te Brugge. Zijn hogere studies Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde met optie Musicologie aan de Rijksuniversiteit te Gent waar hij in 1976 afstudeerde, bekroonde hij met de licentiaatsverhandeling Aspecten van de hedendaagse vocale muziek in werken van Berio, Kagel en Nono. Gelijklopend met zijn studie Musicologie volgde hij notenleer en harmonie aan het Koninklijk Conservatorium van Gent waarvoor hij Eerste Prijzen behaalde in respectievelijk 1972 en 1978. In 1980 behaalde Knockaert de Tweede Prijs Contrapunt aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel.

Als componist volgde hij stages hedendaagse muziek en analyse bij Iannis Xenakis (Lille, 1980), Mauricio Kagel (Aix-en-Provence, 1981), Franco Donatoni, Brian Ferneyhough en Hans Werner Henze (Siena, 1982) en Luciano Berio (Aix-en-Provence, 1983). Yves Knockaert was actief als componist vanaf de jaren ’80 en schreef zijn laatste werken in 1989. Omwille van zijn musicologische activiteiten sinds 1990 werd zijn componeren voor onbepaalde tijd naar de achtergrond verschoven.

Vandaag is hij leraar muziekgeschiedenis, muziekesthetica en muziek van de 20ste eeuw aan het Lemmensinstituut te Leuven. Hij is lid van de artistieke commissie van het Orpheus Instituut sinds de oprichting ervan in 1997 en werd gevraagd als gastdocent hedendaagse muziek aan het departement Audiovisuele en Beeldende Kunsten aan de Karel de Grote-Hogeschool van Antwerpen. Sinds 2001 is deze musicoloog docent muziekgeschiedenis aan de Muziekkapel Koningin Elisabeth. Hij maakt vanaf 1990 radioreeksen over 20ste eeuwse muziek en geeft voordrachten voor diverse culturele instellingen in Vlaanderen. Daarnaast is Knockaert medewerker aan verschillende culturele tijdschriften zoals Contra., Adem en ProScenio en publiceert hij geregeld in boekvorm. In 1997 kwam zijn boek Wendingen, Muziek en filosofie in postmodern perspectief uit en in 1998 resulteerde de samenwerking tussen Yves Knockaert, Mark Delaere en Herman Sabbe in het boek Nieuwe Muziek in Vlaanderen.

 

Werkbespreking

Knockaerts tien jaren compositie verraden een gestage evolutie naar reductie van de compositorische middelen, een praktijk die sterk doet denken aan de tendens van de New Yorkse kunstenaars uit de jaren ’60. In de Verenigde Staten ontwierpen beeldende kunstenaars in die periode cyclische en repetitieve structuren van eenvoudige elementen als lijnen en punten. Parallel met deze minimal art die streefde naar de beperking van informatie tot een minimum door overvloedige nivellering en herhaling, kwam de minimal music op.

Deze strekking leidde tot klankprocessen met een beperkt aantal ritmische en melodische patronen die zorgden voor subtiele faseverschuivingen. Eén van de niet-orthodoxe vertegenwoordigers van minimal music was Morton Feldman, van wie Knockaert meer dan waarschijnlijk elementen overnam in zijn oeuvre. Naast abstractie vormt ook kleur een belangrijk ingrediënt in zijn werken. Knockaert transformeert melodische en ritmische cellen op zo’n manier dat kleurverschuivingen ontstaan. Daarnaast kan in zijn werken een zeker gebruik van chromatiek, zowel melodisch als harmonisch, vastgesteld worden. Soms schrijft de componist expliciet chromatische clusters of klankvelden voor. Knockaerts contact met de Griekse componist Iannis Xenakis liet zijn sporen na in het chromatische klankbeeld; van stochastische processen bij de behandeling van het klankmateriaal lijkt echter op het eerste gezicht geen sprake te zijn.

987 – Reduction I voor fluit, hobo, klarinet en piano (1984) vertrekt letterlijk – de titel Reduction spreekt voor zich – vanuit de idee van het beperken van de mogelijkheden van de componist. Yves Knockaert ervaart het als de beknotting van de compositorische vrijheid. Een blik op het globale beeld van de partituur duwt de analyticus in de richting van Xenakis: de superpositie van verschillende ritmes in de verschillende stemmen, chromatische clusters, het ontbreken van maatstrepen in bepaalde passages met de nodige stippellijnen om nog enigszins oriëntatiepunten aan te brengen, het gebruik van glissandi, zowel voorgeschreven in de partituur als indirect verkregen door chromatische lijnen in stijgende en dalende beweging. Het boven elkaar plaatsen van willekeurige stijgende en dalende lijnen in accelerando en ritardando zorgen voor een soort van klankweb, typisch voor de muziek van Xenakis. Het begin van de compositie wordt gekenmerkt door chaos met als karakteristieken diversiteit in ritmiek, enerzijds horizontaal, anderzijds verticaal; en chromatische clusters, maar tegen het einde van het werk is de vereenvoudiging van de ritmische en chromatische chaos overduidelijk. In die zin moet reductie in dit werk opgevat worden als een proces van chaos naar eenvoud door de veelheid aan ritmes zoals syncopen, proportionele ritmes, halve noten kwartnoten, achtsten en zestienden te reduceren tot een repetitie van achtsten in alle stemmen op het einde van het werk. Ook door het gebruik van steeds dezelfde chromatische motiefjes in verschillende combinaties wordt het melodische materiaal beperkt in zijn mogelijkheden in vergelijking met het begin van de compositie. Toch blijft Knockaert binnen dit gereduceerde materiaal zoeken naar variatie.

Kort nadien, in 1984-1985, schrijft Knockaert Louis in Noland. Dit werk voor blokfluitkwintet ontleent zijn titel aan twee bekende Amerikaanse abstract expressionistische schilders: Morris Louis (1912-1962) en Kenneth Noland (°1924). Meer specifiek waren de Targets van Noland en de abstracte verflijnen op wit doek van Louis Knockaerts inspiratiebronnen. Louis ontwikkelde in de jaren ’60 een heel nieuwe schildertechniek. Het penseel werd overbodig en in plaats daarvan bracht deze kunstenaar vloeibare acrylverf aan op het canvas. Louis liet de verf over het doek vloeien en zijn gang gaan. Het resultaat – gekleurde aërodynamische strepen – noemt de schilder “veils” of sluiers van kleur. Kenneth Nolands Targets (1956-1962) bestonden uit concentrische cirkels in verschillende kleuren die in het midden van een vierkant doek werden aangebracht. Ze vormen een raamwerk van relaties tussen kleuren.

Belangrijk hierbij is dat deze abstracte geometrische figuren een effect van “versteende pulsatie” bewerkstelligen. Knockaert brengt dit effect, verkregen door de repetitieve structuur van abstracte figuren – hier cirkels – over in zijn klankbeeld. Korte motieven met een sterke doelgerichtheid en richting domineren de compositie. Deze korte motieven halen hun richting uit de meestal diatonisch-chromatische lijnen. Kort gezegd kan men stellen dat Knockaert zich in zijn hele compositie baseert op het motiefje in de eerste en tweede blokfluit aan het begin van het werk. Deze constellatie ondergaat transformaties door verandering in ritmiek, intervallen, homofoon/homoritmisch of contrapuntisch gebruik en door de toepassing van glissandi op het motief. Men zou kunnen stellen dat het aanvangsmotief repetitief gevarieerd wordt met als consequentie nuances in de kleur van het motiefje. Noland kon het niet beter voorstellen: een cyclisch verschuiven van verschillende gekleurde cirkels op een doek; beweging en geen beweging.

Muziek voor de gele zaal uit 1988 componeerde Knockaert in samenwerking met schilder Karel De Meester. Deze compositie bestaat uit en aantal korte stukjes die in dezelfde volgorde gevarieerd herhaald worden. Binnen elk afzonderlijk deeltje is er ook sprake van gevarieerde repetitie op een manier die wel heel typerend is voor Knockaert: transpositie, subtiele veranderingen door het aanbrengen van wijzigingstekens, waardoor de intervalconstellatie wijzigt, imitatie/contrapunt en de verschuiving van een ritmische cel in daaropvolgende maten, kortom: economie van het muzikale materiaal. Ook op macroniveau past Knockaert de variatietechniek toe, zij het dan door het verwisselen van de stemmen, door toename of afname van de densiteit en door middel van diminutio of augmentatio van de voorbeeldcompositie. Knockaert omschrijft dit proces van kleurverschuivingen door subtiele aanpassingen in de herhaling van een deel als “minimalistische Feldman-kleuren”.

 

Werklijst

Vocale muziek: Dichtbij genoeg voor gemengd koor en sprekers op tekst van Graham Greene en Hedwig Speliers (1981-1982); Quiet Choir op eigen tekst (1984); Het heraldieke dier: liedcyclus voor sopraan en piano op tekst van Hedwig Speliers (1985)

Solo: Een begin verdwijnt nooit voor gitaar (1985); For two – Reduction II voor cello (1984); Voor viool solo (1988); Après la lecture de voor piano (1989)

Ensemble: Afraid of silence voor twee fluiten, twee gitaren en piano (1983); Portees: zes stukken voor saxofoonkwartet (1983); 987 – Reduction I voor fluit, hobo, klarinet en piano (1984); Louis in Noland – Reduction III voor blokfluitkwintet (1985); Architecture voor saxofoonkwartet (1986); Dolens voor blokfluit en luit (1987); Trio voor viool, cello en piano (1987); De Zonnesynaps voor (mezzo-) sopraan, piano, altsaxofoon en kleine trom (1987); Koperkwintet (1988); Muziek voor de gele zaal: klankruimte met Karel De Meester (1988); Muziek voor strijkers (1988); Altblokfluitkwartet (1989)

Muziek voor tape: Saxteen voor saxofoon en tape (1984); Inside – Reduction IV voor tape (1984); Next Piece no. 1 voor tape (1985); Next Piece no. 1-2 voor tuba en tape (1985); Portret: suite voor sopraan, kamerorkest en tape(1986)

Klanksculptuur met tape: Project ‘Brug’ (1987)

Muziek voor ballet: Surfacade voor tape en ballet (1985); Mac Luhan at Mac Donalds voor piano en ballet (1985)

 

Bibliografie

– A. DEFOORT, Lexicon van de muziek in West-Vlaanderen (vol. 2), Brugge, 2001, p. 96 – 97.

Als musicoloog publiceerde Knockaert zeer veel. Een link naar de publicaties aanwezig in de catalogus van KU Leuven vindt u hier.

 

Uitgevers

IPEM
CeBeDeM (werkzaam van 1951 tot 2015)

 

 

©MATRIX
Teksten van Cathérine Raes
Laatste aanpassingen: 2017

Schrijf je in op onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte!